Naar de haaien

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Achter de idylle van de eindeloze Amerikaanse zomer vol hittegolven, hotdogs en stranddagen schuilt een slechterik: de haai. Liefst de great white, de mensenhaai, die nietsvermoedende zwemmers naar de diepte van de oceaan trekt.

Op het hoogtepunt van de zomer vertoont een kabelzender gedurende Shark Week non-stop haaienprogramma’s. Genoeg spanning en sensatie om miljoenen, onder wie mijn kinderen, aan het scherm te kluisteren. Zo is er Sharknado, de belachelijke low-budgetrampenfilm waarin mensenetende haaien door een tornado uit de oceaan worden gezogen en al vliegend vanuit de lucht een stad aanvallen.

Deze zomer hadden we zelfs het genoegen van Sharknado 3: Oh Hell No! In deze versie werd de term jumping the shark – het moment dat een televisieserie over zijn hoogtepunt heengaat – naar ongekende hoogte gestuwd. Verschillende „sharknado’s” vloeien samen in een reusachtige „sharkicane” die de haaien in de ruimte lanceren alwaar ze de spaceshuttle aanvallen. Wat zal men in godsnaam volgend jaar bedenken? Haaien op Mars?

Bovenop dit alles was er dit jaar ook nog een aantal echte dodelijke aanvallen, onder andere in North en South Carolina. Je zou bijna vergeten dat er per jaar meer mensen doodgaan aan bijensteken dan aan haaienaanvallen.

In een mooi voorbeeld waarin het leven de kunst imiteert, kunnen we haarfijn het begin van deze zomerse haaiengekte aangeven. Peter Benchley was een worstelende schrijver met een alcoholprobleem, werkend in een verlaten garage in Pennington, een stadje een eindje van Princeton gelegen. Toen hij met zijn zoveelste melige manuscript bij de uitgever kwam, was het advies: schrap alles behalve de eerste vijf regels. Daarin beschreef Benchley een mensenhaai die de kust bij een klein strandplaatsje onveilig maakt. De rest is geschiedenis. Toen hij zijn vrouw het voorschot noemde dat hij voor dit boek kreeg, barstte ze in huilen uit en riep: „Vanaf nu wordt alles anders.” Ze kreeg gelijk. Het boek Jaws verscheen in 1974 en werd een bestseller van een omvang die de wereld nog niet eerder gezien had. Het jaar daarna kwam de gelijknamige film van de beginnende regisseur Steven Spielberg, de eerste echte Hollywood-zomerhit.

Benchley had gemengde gevoelens bij dit commerciële monstersucces. Hij hield van haaien en kreeg er spijt van dat hij hun zo’n slechte reputatie had gegeven. Vanaf nu werd er onbeperkt op hen gejaagd. Hij zette zich op het laatst van zijn leven alleen nog maar in voor het behoud van de oceaan en alles wat daarin zwemt, klein én groot.

Met de nieuw verkregen rijkdom kochten Benchley en zijn vrouw een kast van een huis met een tennisbaan en een zwembad. Op de bodem schilderden ze een levensgrote Jaws, natuurlijk met de bekende opengesperde bek. Tot mijn verbazing woont een van de voetbalvrienden van mijn zoon nu in dit huis, twee straten verderop gelegen.

Hoogste tijd voor wat diepgravende onderzoeksjournalistiek. We worden vriendelijk rondgeleid door de imposante villa. Terwijl ik kamer voor kamer bewonder, heb ik ondertussen maar oog voor één ding: het zwembad. Met daarin het monster. Aan het einde van de toer naderen we langzaam het water. Ik hoor de bekende aanzwellende muziek in mijn hoofd: boem-boem-boem-boem... Of is het mijn snel kloppende hart? Wie durft nu daarin te zwemmen! Heel voorzichtig kijk ik over de rand naar de bodem… Maar, helaas, de haai is overgeschilderd.