Dit proces is cruciaal, en dus risicovol

Het Openbaar Ministerie pakt groot uit voor het proces tegen radicale moslims. Dat gaat niet zonder gevaar, maar niet vervolgen brengt het gevaar met zich mee dat meer jongeren afreizen naar Syrië. En dat wil het OM niet riskeren.

In de speciaal beveiligde bunker in Amsterdam Osdorp is het grote jihadproces begonnen. Foto OLAF KRAAK / ANP

Het terrorismeproces dat gisteren is begonnen, is om meerdere redenen cruciaal voor het Openbaar Ministerie (OM). Niet alleen wordt de komende weken uitgemaakt of een groep radicale moslims kan worden veroordeeld als terroristische organisatie. Ook zal blijken of jihad-propaganda bestreden kan worden via het strafrecht. Het OM pakt groot uit: het proces van 24 dagen wordt uitgesmeerd over tien weken, met twee officieren van justitie, drie rechters en tien verdachten, waarvan er vier in Syrië verblijven of niet meer leven.

De verdachten verspreidden propaganda voor de jihad via sociale media. Hun berichten zouden hebben bijgedragen aan het vertrek van diverse jongeren naar Syrië. Terrorismebestrijders wijzen al langer op het belang van propaganda, zoals online video’s en tweets die terreurdaden voor de jihadistische strijd legitimeren. Jonge moslims worden hierdoor beïnvloed. De verspreiders worden zelden vervolgd, omdat het schuurt met de vrijheid van meningsuiting.

Alles uit de kast voor bewijs

Om te bewijzen dat de Haagse groep met zijn online berichtenstroom bewust jongeren probeert klaar te stomen voor de jihad, heeft de politie sinds begin 2013 alles uit de kast gehaald. Telefoons van tientallen verdachten – en hun familie – zijn afgetapt, auto’s volgehangen met afluisterapparatuur, agenten hebben verdachten geschaduwd en speurden vele duizenden berichten af die ze op sociale media hebben geplaatst. Hoeveel geld dit alles heeft gekost, is onbekend, maar de opbrengst is een politiedossier van meer dan tienduizend pagina’s vol tweets, Facebook-posts, verklaringen, aangiften, foto’s, flyers en andere documenten.

Of het OM genoeg in handen heeft voor een veroordeling, is allerminst zeker. Het vervolgen van een terroristische organisatie is tot nu toe lastig gebleken. Het proces tegen het vorige terreurnetwerk, de Hofstadgroep, liep uit op jarenlang juridisch getouwtrek waarin rechters steeds anders oordeelden. Het bleek moeilijk te bewijzen dat de Hofstadgroep een „gestructureerd samenwerkingsverband” was met „gemeenschappelijke regels en doelstelling”. Ook de verdachten die nu terechtstaan, ontkennen één groep te vormen.

Proberen te verleiden tot geweld

Anderzijds lijkt de juridische lat voor ronselen laag te liggen. Wanneer je iemand „ideologisch rijp maakt” voor de strijd, ben je strafbaar volgens de Nederlandse wet. Mogelijk hebben de Haagse verdachten zich hieraan schuldig gemaakt: in online berichten en lezingen praatten ze de terreurdaden van IS goed en prezen het martelaarsschap aan. Uit eerdere uitspraken blijkt dat van belang is of de verdachte ronselaar iemand daadwerkelijk probeert te verleiden tot geweld. Zo werd een lid van de Hofstadgroep veroordeeld omdat hij een instructievideo liet zien over een bomgordel, maar werd de 20-jarige Shukri F. vorig jaar vrijgesproken. Hoewel zij frequent en dwingend sprak over het kalifaat en het martelaarsschap, vond de rechter haar geen ronselaar.

Door de Haagse groep te vervolgen, neemt het OM dus een risico. Wordt de groep veroordeeld, is het de vraag of er een gewenst effect van uitgaat. De verdachten kunnen verbitterd raken en radicaler uit de gevangenis komen dan ze erin gingen. Ook levert straf in hun omgeving meer status op, omdat ze zo laten zien dat ze bereid zijn te lijden omwille van hun geloof. Maar het OM kan weinig anders: de groep zijn gang laten gaan, betekent dat er door hun propaganda mogelijk meer jongeren naar Syrië afreizen. En dat risico wil justitie niet nemen.

    • Andreas Kouwenhoven