‘Charlie Hebdo is te ver gegaan’

Fotografenduo Lambau van het Franse satirische blad Hara-Kiri (voorloper Charlie Hebdo) exposeert in Perpignan.

François Cavanna (1923-2014), mede-oprichter vanHara-Kiri, met cartoonistGeorges Wolinski (1934-2015) op de redactie in 1981. Wolinski werd vermoord bij de terroristische aanslag opCharlie Hebdo van 7 januari. Foto Arnaud Baumann

Cabu, Charb, Honoré, Tignous, Wolinski. Ze staren de bezoeker recht aan. Op Visa Pour L’Image, het festival voor de fotojournalistiek in Perpignan, worden de vermoorde medewerkers van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo op een speciale expositie herinnerd. De vijf portretten in zwart-wit, gemaakt door fotograaf Arnaud Baumann, hangen prominent in het midden van de tentoonstellingsruimte. De foto’s eromheen gaan over Hara-Kiri, de voorganger van Charlie Hebdo (zie kader) en werden gemaakt tussen 1974 en 1985.

Er hangen foto’s van een uitgelaten Professeur Choron (Georges Bernier) in innige omarming met François Cavanna – de initiatiefnemers van het blad – en beelden van tekenaars Gébé, Cabu, Wolinski en de Nederlandse Willem tijdens chaotische redactievergaderingen, dronken nachten, happenings met naakte redacteuren en dames van wie het achterwerk wordt beschilderd.

„We hadden niet verwacht dat we ooit iets met deze foto’s zouden doen”, zegt Baumann. Samen met collega Xavier Lambours is hij in Perpignan om de expositie en hun nieuwe fotoboek, getiteld Dans le Ventre de Hara Kiri, te promoten. „Charlie Hebdo werd vóór 7 januari dit jaar door weinig mensen gelezen”, zegt Lambours. „Als de terroristische aanslag op de redactie niet had plaatsgevonden, was het blad er vast niet meer geweest, en dit boek ook niet.”

Inseminatie bij opblaaspop

De fotografen, inmiddels rond de zestig, zijn jeugdvrienden. In een razendsnel tempo, elkaars zinnen aanvullend en grappen aftroevend, vertellen ze over hun liefde voor Hara-Kiri. „Als jongen las ik het blad”, vertelt Baumann. „Ik kwam uit een burgerlijk gezin. Het tijdschrift gaf mij zuurstof.” Hij vertelt hoe hij in 1972 iemand van Hara-Kiri meende te herkennen in de Parijse metro. „Ik vroeg hem of hij bij het blad werkte. Hij zei dat hij geen tekenaar was, maar de drukker. Als ik zin had, kon ik op een dinsdag naar de redactie komen.” Lambours: „Niet dat we welkom waren. We moesten uren wachten.” Baumann: ,,De tekenaars negeerden ons compleet. We zaten een beetje te niksen achter een groen gordijntje. Maar uiteindelijk nodigde Professeur Choron ons uit voor de lunch.” Lambours: „Paté, kaas, goede wijn. Dat hadden ze prima geregeld.”

Vanaf dat moment bleef het duo rondhangen op de burelen van Hara-Kiri. Maar pas in 1974 kregen ze, onder het pseudoniem Lambau, hun eerste opdrachten. Hun eerste foto’s werden opgenomen in een special, gewijd aan ‘de nazi’. „De collaborateur werd verheerlijkt. Het was bedoeld om de Fransen, die geneigd zijn op te scheppen over hun verzetsverleden, eens flink te kakken te zetten.”

Hara-Kiri, dat als maandblad uitkwam naast het weekblad Charlie Hebdo (zie kader), was in die tijd vooral een blad om ‘flink bij te lachen’, aldus Baumann: „Maatschappelijke kwesties werden op een provocerende manier aangekaart.” Lambours: „De hypocrisie en het paternalisme, daar werd tegenaan getrapt.”

Met spotprenten, bewerkte foto’s of acties werd telkens de vinger op de zere plek gelegd. Op één foto is te zien hoe Professeur Choron, tijdens een happening in 1980, een opblaaspop kunstmatig insemineert met het sperma van de Franse komiek Coluche. „In die tijd was dat taboe”, zegt Lambours. „De actie was bedoeld om op te komen voor vrouwenrechten”, aldus Baumann. „Maar zo werd het door vrouwen zelf eigenlijk niet begrepen.”

Je suis Hara-Kiri

Die anarchistische, provocatieve humor vormde de kern van het maandblad, totdat Hara-Kiri door geldproblemen begin 1986 ter ziele ging. Beiden fotografen stopten rond die periode – Lambours kreeg een baan bij Libération – maar bleven daarna op afstand Wolinski, Cavanna en Willem volgen, die vanaf 1992 bij de heropgerichte Charlie Hebdo gingen werken. „Het was ons blad niet meer”, zegt Baumann. „De oorspronkelijke geest van Hara-Kiri was verdwenen. Professeur Choron gaf zijn tekenaars alle vrijheid, maar Philippe Val, tot 2009 de leidende figuur van het blad, wilde alles zelf bepalen. Hij was geobsedeerd door religie en bleef zijn tekenaars in een bepaalde richting duwen. Als iets hem niet zinde, ging het niet door.”

„Val is te ver gegaan met het pushen van de islam”, meent ook Lambours. „Hij heeft de redactie aan te veel gevaren blootgesteld. Ook al werden de medewerkers beveiligd, wat zij aan het doen waren, was een vorm van zelfmoord.” Hadden de tekenaars van Charlie Hebdo voorzichtiger moeten zijn? Baumann zwijgt even. „Dat vind ik een lastige kwestie. Maar het is absurd dat iemand als Cabu, die het leger haatte, gedood werd door een kalasjnikov.” Hij vertelt dat Cavanna, die in 2014 overleed, en Wolinski zich al een tijd niet meer thuis voelden bij Charlie Hebdo en niet gelukkig waren met de anti-islamkoers. „De jongere generatie had het blad overgenomen.” Lambours: „Je suis Charlie betekent voor mij: Je suis Hara-Kiri.”

Vlak voor ze opstaan laat Baumann een tekening van zijn vriend Kamagurka zien die is opgenomen in het fotoboek. „Hij werkt toch voor NRC? Wilt u hem iets doorgeven? ‘Kama, je had gelijk om thuis te blijven op 7 januari.’” Bij het afscheid grist Baumann razendsnel het aangereikte visitekaartje weg voor de neus van zijn vriend en rent de gangen van de expositiehal in. „Je hebt ’m lekker niet!” Lambours rent achter hem aan. Als twee jongens, die tikkertje spelen, verdwijnen ze uit het zicht.