Als Elvis willen mensen met me op de foto

Dit jaar zou Elvis Presley 80 jaar zijn geworden en ter ere van hem zijn er aankomend weekend twee optredens in Ahoy. Grahame Patrick (44) zal op het podium staan, al twintig jaar is hij Elvis-imitator.

Foto AP Photo

Moet deze man straks echt Elvis Presley voorstellen? Grahame Patrick (44) draagt een grijs shirt met v-hals, z’n zonnebril hangt losjes in zijn kraag. Hij heeft kort donkerbruin haar en hele beschaafde bakkebaarden. Het is moeilijk om in hem een artiest te herkennen, laat staan een overtuigende King of Rock-‘n-Roll.

Maar Patrick is al twintig jaar Elvis op het podium. Geboren in Ierland, op zijn zestiende verhuisd naar Toronto, Canada. Daar begon Patrick met optredens in bars en clubs. Eerst gewoon als zichzelf, maar later steeds vaker als Elvis. Vanaf 1996 kreeg hij de kans om die carrière te vervolgen in Las Vegas. En nu treedt hij veel op in Europa. Dit jaar was hij op tour met Elvis – Das Musical, een Duitstalige musical. Hij deed zestig steden aan in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Aankomend weekend is hij in Nederland. Niet voor een musical, maar voor twee optredens in een bijna uitverkocht Ahoy, ter ere van de tachtigste verjaardag van Elvis Presley.

Vanavond treedt Patrick op in het Estrel Hotel in Berlijn, met 1.125 kamers het grootste hotel van Duitsland. Bernhard Kurz, producent van Elvis - Das Musical, heeft in het hotel ook zijn kantoor waar we plaatsnemen. Hijzelf, de directeur sales van het hotel en Ed Bonja zitten er tijdens het interview met Patrick bij. Bonja was de officiële fotograaf van Elvis Presley in de jaren zeventig. De wat zwaarlijvige man ademt zwaar terwijl Patrick vertelt over zijn eerste jaren als muzikant. „Van kinds af aan zing ik al graag. Komt door mijn vader, die was ook zanger. Hij zong Ierse folkmuziek en trad op in bars en clubs.” Zelf sloop Patrick soms ook de pub binnen om een liedje mee te zingen.

Eind jaren tachtig emigreerde het gezin naar Canada. In Toronto deed hij mee aan open mic-avonden, waar je de kans kreeg om met andere muzikanten op te treden. Toen was hij nog zichzelf op podium, al bevatte zijn repertoire wel nummers van Presley, van jongs af aan al zijn idool. „Elvis is één van mijn eerste herinneringen. Ik weet nog dat ik als tweejarige hem op tv zag, in een blauwe jumpsuit. Ik heb geen idee waarom dat toen zo’n indruk maakte. Toen ik ouder werd, ging ik naar bed met zijn muziek. Met de koptelefoon op luisterde ik naar al zijn cd’s.”

Van Toronto naar Las Vegas

Het imiteren van Elvis begon in 1995. „Ik zag een Garth Brooks-imitator die in grotere clubs optrad met betere bands.” Patrick wist toen al dat zijn stem gelijkenissen had met die van Elvis. Nu ging hij de pakken dragen en de heupwiegende moves doen. Om op te vallen crashte hij een party in Toronto waar ook hoogwaardigheidsbekleders van de stad aanwezig waren. In een witte jumpsuit, met pruik en opgeplakte bakkebaarden liep hij binnen en zowaar, hij mocht een paar nummers zingen. Die stunt leverde hem aandacht op en Patrick kreeg de kans om auditie te doen in Las Vegas. Binnen een jaar nadat hij met imiteren begon, trad hij op in de stad waar zijn idool zoveel succes had. Een stad met heel veel imitatoren.

Kurz en de directeur sales mengen zich soms in het geregisseerd aanvoelende gesprek. Meestal met een lofzang op hoe goed Patrick wel niet is als Elvis. Ed Bonja houdt zich afzijdig, behalve bij één vraag: Wat vond Elvis zelf eigenlijk van de imitatoren? Al voor zijn dood in 1977 doken de eerste imitatoren op. Bonja: „Hij moest erom lachen, op een goede manier. Weet je, na een optreden in Vegas vroeg hij eens aan ons: ‘Denk je dat mensen later nog zullen weten wie ik ben?’ Ondanks al het succes was hij zo bescheiden, dat mensen hem imiteerden nam hij op als een compliment.”

Iemand die snel carrière maakte als Elvis-imitator en twee keer Ahoy vrijwel uitverkoopt, zou die niet gewoon als zichzelf muzikant moeten zijn? Patrick: „Of ik dan succesvol was geweest? Ik weet het niet, en eerlijk gezegd: ik had het niet gewild. Ik sta graag op het podium en als Elvis willen mensen met me op de foto en zo. Maar ik ben verder graag op mezelf. Na een optreden doe ik alles af en dan ben ik weer anoniem.” En het gemis van nooit eens eigen nummers zingen? „Ik schrijf weleens zelf een nummer, maar die speel ik dan voor familie of vrienden. Ik hoef niet beroemd te worden.” En dan vertrekt Patrick, nog een wasje doen voordat hij vanavond even een ster is.

Doorgaans is het drukker

Vier uur later, bezoekers wandelen de concertzaal van het hotel binnen. Vanavond zitten er rond de 200 mensen in de zaal. Doorgaans is het drukker zei de directeur sales eerder. Bij de ingang van de zaal zit Bonja voor een tafeltje met foto’s die hij maakte van Elvis. Veel onderuitgezakter kan hij niet zitten, zijn armen rusten op zijn buik. De meeste bezoekers drentelen even langs en zoeken dan hun plaatsje. Dan komt Patrick op, in een wit pak vol goudkleurig juwelen. De zwarte kuifpruik en opplakbare bakkebaarden maken het af. Met een zeven man sterke band (drie blazers, gitarist, bass, drums en toetsenist) spelen ze overtuigend alle grote nummers: ‘That’s All Right’, ‘Heartbreak Hotel’, ‘Jailhouse Rock’.

Maar dit is ook een musical, dus de muziek wordt onderbroken door wat geacteerde stukjes. Achter Patrick zien we op schermen beelden van de echte Elvis. Je ontkomt er niet aan om de bewegingen en gebaren te vergelijken, Patrick doorstaat de proef. Hij wordt bijgestaan door een koor: de Stamps Quartet, met lead vocalist Ed Enoch, die nog op het podium stond met de echte Elvis. Samen met hen doet Patrick een paar gospelnummers. Want Elvis was tijdens zijn leven weliswaar veertien keer genomineerd voor een Grammy, hij won er maar drie, en alle drie voor gospelnummers.

Net voor het einde trekt Patrick de zaal in. Terwijl hij blijft zingen, krijgt iedereen even een hand, of een knuffel. Dan nog één keer swingen: ‘Blue Suede Shoes’. Vrijwel niemand kan nog blijven zitten.

Een fantasie écht maken

Na het optreden deelt Patrick handtekeningen uit. Nog in vol kostuum poseert hij voor foto’s. Ongeveer dertig mensen klampen hem nog even aan. Dan komt hij naar de bar en trekt de bakkebaarden van zijn wangen. Hij oogt ontevreden: „Ah die musical…geef mij en die geweldige band maar gewoon het podium. Dan zorgen we wel voor de show.” Dan gaat hij backstage. Binnen tien minuten heeft hij zijn make-up af en weer gewone kleren aan. Een baseballcap verhult het haar dat statisch is geworden van de pruik.

Twee tequila en een long island ice tea later komt Patrick terug op het eerdere interview, dat ook voor hem geregisseerd voelde. „Waarom zaten Kurz en die sales-man erbij? Heel ongemakkelijk. Dus kom op, let’s talk some real shite.” Écht praten, over Elvis (‘Ik had zo graag ook maar een seconde in zijn nabijheid willen zijn. Hij was zo cool. Zo stoer en toch heel gevoelig, denk ik.’), over zijn eigen optredens (‘ik zou veel meer te zeggen willen hebben. Bijvoorbeeld, liever geen beelden van Elvis tijdens het optreden. Laat mensen zich maar verliezen in het moment. En dan aan het einde tonen we met een grote foto dat het een ode aan hem is’) en over dit artikel. „Schrijf je straks echt op dat Ed Bonja voor het optreden zielig in een hoekje foto’s zat te verkopen? De man is al tijden ziek en bovendien: hij heeft Elvis echt gekend. Hij en Ed Enoch zijn de real deal. Niet ik.” De nabijheid van mensen die Elvis echt kenden, stelt hem gerust. „Iets wat een fantasie was, wordt dankzij hen echt. Maar het is soms ook lastig om te doen wat ik doe als zij erbij zijn.” Over zichzelf blijft Patrick liever bescheiden. „Het publiek mist Elvis, hopelijk kan ik iets geven wat erop lijkt. Dat de mensen zich even in het moment verliezen.”

Dan nemen we afscheid. Patrick trekt zich terug in zijn hotelkamer, niemand die op de weg daarnaartoe nog een foto of een handtekening van hem wil.