Romige smeltstemmen en scherp orkestspel

Een moeilijke en een rare opera – zo typeerde artistiek directeur Pierre Audi zaterdagavond Strauss’ muzikale komedie Der Rosenkavalier na een uitbundig succesvolle opening van het jubileumseizoen van De Nationale Opera. Maar met die opera is de geschiedenis van het huis wel doordesemd. En de laatste Rosenkavalier – de door sommigen gekoesterde, door anderen als ‘ouderwets’ afgekeurde productie van Willy Decker/Brigitte Fassbaender (2004 en 2011) – ligt zelfs nog zeer vers in de herinnering, dankzij het geweldige dirigeren destijds van Edo de Waart en Sir Simon Rattle bij het Rotterdams Philharmonisch.

Maar het kan ook anders, totaal anders zelfs, en óók geweldig. Het omwoelde reuzenbed en de stromende sensualiteit van weleer? Die miste je hier. Extreem snel (uitputtend, zelfs) en virtuoos schakelend loodste Marc Albrecht het op zijn best spelende Nederlands Philharmonisch Orkest in de eerste akte door Strauss’ letterlijk van seconde op seconde verkleurende partituur. Pas na vijftig minuten liet hij het orkest rust vinden, waardoor de vergankelijkheidsaria van de Feldmarschallin na haar herdersuurtje met de jonge graaf Octavian wel des te gestolder en roerender overkwam.

Albrecht laat Strauss modern klinken. Scherp, dwars en kruidig: als de vernieuwer en klankmagiër die hij was. Maar waar de muziek adem en fluwelen grandeur nodig heeft, geeft hij die óók: de opeenvolging van het vrouwenterzet en het liefdesduet aan het slot van de opera bijvoorbeeld, bloeiden op in een serene, losgezongen puls die de romig smeltende stemmen van Camilla Nylund (Feldmarschallin), Paula Murrihy (Octavian) en Hanna-Elisabeth Müller (Sophie) alle adem liet om de onze te benemen.

Ook regisseur Jan Philipp Gloger maakte geen behaagzieke Rosenkavalier, wél een die in allengs deplorabeler toneelbeelden getuigde van consciëntieus partituurinzicht. De eerste akte oogde prachtig: het sjieke houten interieur (geïnspireerd op de kapitale Kruppvilla in Essen) glansde en praalde. Maar zoals in het verhaal de sociale ladder trapafwaarts wordt belicht, zo ook had praal in de tweede akte plaatsgemaakt voor een nouveau riche-trouwtent met discobal, en in de slotakte voor een DDR-achtig overspelmotel – met pooiers en hoeren achter fineerdeuren bij TL-licht.

Een beetje over the top is Glogers aanpak soms wel, maar zijn eigentijdse enscenering van de farce waarmee proleet Ochs in de val wordt gelokt bij voorbeeld, botst nergens met tekst en muziek. En doet - knap! – zo hernieuwd beseffen hoe scherp librettist Hugo von Hoffmansthal de vervallen zeden schetste. Fraai was in de cast het contrast tussen de ingehouden emotionaliteit van Camilla Nylund en de frisse straalkracht van Paula Murrihy. Peter Rose was theatraal een gedroomde Ochs, maar bleef vocaal té welluidend om echt de gewenste ethische walging te kunnen opwekken.

    • Mischa Spel