Opinie

    • Marjoleine de Vos

Op hoge toon de ander tot tolerantie manen

Het kleine ventje dat met zijn moeder in de nogal volle trein zat, was een zeer actief kereltje. Geregeld hoorde je zijn moeder hem tot zitten manen. Hij schreeuwde af en toe heel hard, om zijn stem te proberen. Daar zei zijn moeder niets van. Het hoorde er blijkbaar bij.

Een mevrouw zei er op een gegeven moment wel iets van, althans haar ontsnapte na weer zo’n trommelvliesverscheurende kreet zoiets als: „Hou toch je mond!”

De moeder had het ook gehoord. Ze stond op en draaide zich om. „Het is een kind! We zijn toch allemaal kind geweest!” zei ze verontwaardigd. „Ja maar daar hoefden we niet zo bij te schreeuwen,” antwoordde de boosdoenster.

Moeder stak van wal over hoe schandelijk en verkeerd het was, ja respectloos, om zo’n opmerking te maken tegen een kind en of die mevrouw zelf kleinkinderen had, nou die boften dan niet.

De jongeman tegenover mij begon een verhandeling over de eerste klas, dat je daar ook tegen meerbetaling kon gaan zitten, dat je dan geen last had van schreeuwende kinderen.

Het eindigde allemaal al snel, want de moeder moest eruit („Jammer!” beet ze de respectloze vrouw nog toe, want ze had graag nog wat met haar schreeuwende kind in dezelfde coupé gezeten.) Wat me trof was de toon waarop de moeder sprak. Ze was niet ordinair aan het kijven, ze sprak vanuit de verrukking van een groot moreel gelijk. Die ontaarde oma kon wat van haar leren. Namelijk dat je zo niet spreekt tegen een kind. Dat kinderen iets onaantastbaar moois zijn. Dat die mevrouw de wereld tot een heel wat slechtere plaats maakte dan zij, verantwoordelijke moeder die haar kind bijvoorbeeld geen suiker gaf.

Ik had te doen met de vrouw die even uit haar slof geschoten was. Ik vond niet dat ze ongelijk had. Het zou enorm geholpen hebben als we de moeder ook eens hadden horen zeggen: „Kereltje, niet schreeuwen in de trein, daar hebben andere mensen last van.” Maar moeder zag het duidelijk niet als haar plicht om te voorkomen dat anderen last van haar kinderen hadden, het was de plicht van anderen om tolerant te staan tegenover kinderen.

Een onoverbrugbare kloof, dat voelde je aan alles. Wat je direct ingeeft te denken dat de menselijke omgang vol zit met zulke kloven en dat er geen schijn van kans is dat we ooit in vrede met elkaar zullen samenleven.

In deze krant stond laatst ook zoiets. Het was in een stuk over mensen die gek werden van almaar de luide drumbeat door hun huis van de ene na de andere festiviteit. De verslaggever schreef dat overlast ‘een kwestie van standpunt’ was. Want dat ouderen ’s avonds laat last hebben van schreeuwende studenten en dat studenten ’s ochtends last hebben van schreeuwende kinderen.

Zo bezien is overlast geven ‘ook maar een mening’.

Er heeft zich blijkbaar al lang een paradigmawisseling voltrokken. Een klein deel van de mensen in de trein en wellicht ook in de samenleving gaat uit van: men geve geen overlast. Anderen vinden: je schikt je maar. En helemáál als het om kinderen gaat.

Er is natuurlijk iets te zeggen voor enige tolerantie, maar dat kan moeilijk betekenen: ik doe wat ik wil en jij verdraagt het maar, want anders heb ìk last van jouw onverdraagzaamheid. En dan ga ik op hoge toon preken dat jij verdraagzaam moet zijn.

In reactie op die toon voel je dan weer, ook in je zelf, enorme onverdraagzaamheid ontstaan. De wereldvrede is nog ver weg.

    • Marjoleine de Vos