Mijn bruid, mijn vrouw, en het gaat steeds killer klinken

In haar nieuwe roman schrijft Connie Palmen niet over zichzelf. Maar het onderwerp is even gevoelig voor roddels, verzinsels en mythen. Namelijk: het dichtersechtpaar Ted Hughes en Sylvia Plath. Hij zou haar te gronde hebben gericht en betuigt nu zijn spijt voor haar zelfmoord.

Het begin van Jij zegt het, de nieuwe roman van Connie Palmen over Ted Hughes en Sylvia Plath, is spectaculair: ‘Voor de meeste mensen bestaan wij alleen in een boek, mijn bruid en ik. De afgelopen vijfendertig jaar heb ik met een machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe persoonlijkheden werden vervangen door clichématige personages, vernauwd tot simpele imago’s, op maat gesneden voor een sensatiebelust lezerspubliek.’

Zo staat alles meteen op scherp: deze tirade van Hughes (want die is hier aan het woord) tegen de fictionalisering van zijn leven staat immers in een roman. Het schrijven van ‘apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen’ etcetera is de core business van de fictieschrijver Palmen. En er zijn in het verleden genoeg mensen die in haar romans een modderstroom van laster zagen, bijvoorbeeld in het geval van Lucifer, haar roman over de in het verhaal verdachte dood van Marina Schapers, de vrouw van componist Peter Schat. Volgens Palmen is kritiek onvermijdelijk bij het soort nauw aan de werkelijkheid gelieerde fictie dat zij maakt: ‘De hybride is niet alleen mijn vorm, ze is ook mijn thema.’

Voyeurisme? Of kwaliteit?

Haar soort verwijzingsliteratuur stelt de lezer én de criticus voor problemen. Want natuurlijk is het vanuit voyeuristisch oogpunt aantrekkelijk om te lezen over het leven van Palmen met Ischa Meijer (I.M.) of Hans van Mierlo (Logboek van een onbarmhartig jaar). Maar wordt dat genot veroorzaakt door de literaire kwaliteit van die boeken of verlustigen we eenvoudigweg aan de ons toegeworpen, literair vermomde, brokjes privéleven? De vraag is niet nieuw, en er is geen algemeen antwoord op. Je kunt niet anders dan per boek bekijken in hoeverre de methode overtuigt.

Palmen schrijft in Jij zegt het niet over zichzelf. Ze geeft, zie het hierboven al geciteerde citaat, het woord aan Hughes en laat hem zijn verhaal doen over zijn huwelijk met dichteres Sylvia Plath. In de meest vertelde versie van hun verhaal was Plath het grootste talent van de twee, had Hughes mede door haar devotie het meeste succes, waarop hij haar voor een ander liet zitten en zij in 1963, na zeven jaar huwelijk, zelfmoord pleegde.

Dít verhaal is een verdediging tegen allen die hem verantwoordelijk houden voor Plaths ellende. Daarbij moet wel aangetekend worden dat het beeld van het duo de afgelopen 15 jaar veel evenwichtiger is geworden, met name sinds de verschijning van Birthday Letters, de cyclus van 88 gedichten die Hughes aan zijn vrouw wijdde en waarmee hij ruim dertig jaar stilzwijgen over zijn huwelijk doorbrak. De publicatie van een uitgebreide versie van Plaths dagboeken stelde het beeld verder bij.

Palmen leunt voor Jij zegt het nadrukkelijk op de Birthday Letters, die de ontwikkeling van de relatie stap voor stap volgen, in de schaduw van de onafwendbare ramp aan het einde: de eerste ontmoeting tussen twee mensen voor wie de liefde (très Palmen) iets van een gevecht heeft, de spoken uit Plaths verleden, de onderlinge jaloezie in de strijd om literair succes, Hughes’ merkwaardige hang naar esoterie, de strubbelingen en ten slotte de verleiding van een andere vrouw met wie Hughes resoluut de weg naar het einde inslaat.

Palmen vertelt het spannende verhaal vaardig en slaat geen van de piketpaaltjes in de Plathliteratuur over – iets wat je zowel als compliment als als kritiek kunt opvatten. Tussendoor staan verwijzingen naar Paul van Ostaijen (altijd goed) en passages die dicht bij Palmen en haar oeuvre staan. Zoals de volgende – binnen het raamwerk van de roman is het Hughes over Plath, maar zeker het eerste deel is ook te lezen als Palmen over Palmen.

Hoeveel hij van haar hield

Hoe het ook zij: dat Connie Palmen zich ditmaal verre houdt van haar eigen leven, heeft als voordeel dat de ontvangst van Jij zegt het niet gedomineerd wordt door mensen die de vrienden en nabestaanden van Hughes en Plath vragen of ze het ‘eens’ zijn met de roman, zoals dat eerder gebeurde bij Ischa Meijer, Peter Schat en Hans van Mierlo. En gelukkig maar, want Jij zegt het is Palmens beste roman.

Eén element laat Palmen onderbelicht: namelijk dat ook Hughes’ tweede vrouw zelfmoord pleegde en het dochtertje dat ze met Hughes had doodde. Een waarachtig zelfonderzoek van Hughes zou ook die ramp in het verhaal moeten betrekken en de vraag moeten beantwoorden in hoeverre de man werd getroffen door het noodlot óf zelf een spoor van vernieling achterliet.

Maar Jij zegt het is geen gefictionaliseerd zelfonderzoek, het is een gefictionaliseerde apologie. Dáárin is de roman geslaagd. Ted Hughes probeert ons er onophoudelijk van te doordringen hoeveel hij van Plath (afwisselend ‘mijn bruid’ en ‘mijn vrouw’) heeft gehouden, hij vraagt aandacht voor zijn eigen problemen en betuigt schuld over zijn stommiteiten – met name het overspel. Precies in die dan weer intelligente, dan weer onhandige afwisseling tussen bekentenis en preek voor eigen parochie zit de kracht van de roman.

‘Mijn bruid’ als eretitel

Eén element durft Hughes nergens zelf te benoemen, maar schemert onophoudelijk door de tekst: kwaadheid. Zijn liefde en medelijden, zijn zelfkritiek en zijn zelfbeklag formuleert hij zorgvuldig, maar hij wijdt geen woord aan zijn woede op de vrouw die hem en hun twee kinderen in de steek heeft gelaten. Toch is zijn onderhuidse razernij door Palmen zeer knap onophoudelijk voelbaar gemaakt. Dat maakt Jij zegt het tot een roman die op eigen benen kan staan, maar die óók commentaar geeft op de werkelijkheid. Palmen toont Hughes’ woede bijvoorbeeld in zijn harde oordeel over een deel van Plaths werk. Maar vooral doordat hij Hughes Plath als gezegd steeds mijn bruid of mijn vrouw laat noemen. In het begin klinkt ‘mijn bruid’ als eretitel, maar in het verloop van de 260 bladzijden wordt de bijklank steeds killer – en daarmee het toonbeeld van de ingehouden woede van de hoofdpersoon. Een heel boek heeft hij het over de liefde van zijn leven, maar nergens noemt hij haar bij haar naam: Sylvia.