Het gaat allemaal over geld

De Nationale Opera opent jubileumseizoen met nieuwe productie van de opera waarmee het 50 jaar geleden ook allemaal begon.

Ochs (Peter Rose) belaagt verloofde Sophie (Hanna-Elisabeth Müller) Foto Clärchen&Matthias Baus

Die Zeit, die ist ein Sonderbar Ding. Het is de beroemdste quote uit Der Rosenkavalier (1911), de geliefde opera van Richard Strauss en Hugo von Hofmannsthal. Onderwerp: het onverbiddelijke verstrijken van de tijd, en hoe daarmee om te gaan.

Het is een les die de minderjarige minnaar Octavian moet zien te leren van de wijze – en reeds 32-jarige! – vrouw van de veldmaarschalk. Al heeft hij aanvankelijk andere prioriteiten dan melancholische bespiegelingen over het leven, getuige het viriel ejaculerende koper waarmee Strauss Octavians eerste scène met de Feldmarschallin inluidt.

De Nationale Opera opent met Der Rosenkavalier het jubileumseizoen, precies vijftig jaar nadat deze opera de allereerste productie was van wat toen nog de Nederlandse Operastichting heette. De met Strauss en Amsterdam zeer vertrouwde chef-dirigent Marc Albrecht leidt zijn Nederlands Philharmonisch Orkest, de jonge theater- en operaregisseur Jan-Philipp Gloger debuteert.

Albrecht kent Der Rosenkavalier door en door. Toch is hij verbaasd hoe, telkens wanneer hij de partituur openslaat, het stuk lijkt veranderd en er weer nieuwe noten en informatie tevoorschijn komen. „Neem de zangpartijen van Octavian”, illustreert hij tijdens een pauze in de artiestenfoyer, „die zal ik ditmaal nog veel onrustiger moeten nemen dan ik altijd deed. Strauss schreef voortdurend wisselende tempi voor, om het hitsige, überkochte karakter van de jongen te kenschetsen.”

Een andere prominente figuur is baron Ochs, het archetype dikke oudere man die zich rijker voordoet dan hij is. Deze Ochs zal trouwen met de jonge Sophie (rijke vader!) en stuurt Octavian als ‘rozenridder’ naar haar toe met een roos bij wijze van huwelijksverzegeling. Maar wat elke toeschouwer verwacht, gebeurt: Octavian en Sophie worden verliefd, baron Ochs wordt in een duizelingwekkende laatste akte vol verkleedpartijen voor schut gezet en afgeserveerd.

Toch wil Albrecht het personage Ochs wél serieus nemen. „Ik wil dat iedereen hem goed kan verstaan, het tempo bij zijn teksten zal ik juist iets trager nemen dan bij Octavian. Dat Ochs een komisch figuur is, ontstaat niet in de laatste plaats uit zijn vergeefse pogingen om zijn woorden veel gewicht te geven – waarmee hij uiteindelijk alleen maar in nog pijnlijkere situaties verzeild raakt.”

De wilde maalstroom waarin Ochs in de laatste akte wordt meegezogen, maakt plots plaats voor een van de mooiste passages uit de operageschiedenis: het ontroerende terzet waarin de Feldmarschallin haar jonge geliefde Octavian grootmoedig afstaat aan Sophie. „Dat moment getuigt van de grootst mogelijke magie!” zegt Albrecht stralend. Die magie valt nauwelijks uit te leggen maar Albrecht doet graag een poging. „Het effect van deze zacht lyrische muziek is mede zo groot, omdat er bijna drie kwartier oppervlakkige chaos in hoog tempo aan voorafgaat. En dan opeens: rust en diepgang in klank. Vergelijk het met het contrastrijke licht- en donkerspel van Rembrandt. Meesterlijk is ook de verknoping van de drie zangstemmen. Een mindere componist zou één hoofdstem door twee anderen laten begeleiden, maar hier valt dat niet uit elkaar te halen.

„Tel daar vervolgens de emotionele lading van de tekst bij op: de Feldmarschallin leert Octavian om heel bewust ín het moment te leven, omdat dat de enige manier is om de eindigheid van het leven te accepteren. Octavian, nu verliefd op Sophie, begrijpt eindelijk die boodschap. Hij is volwassen geworden.”

Jan-Philipp Gloger heeft nog even andere dingen aan zijn hoofd: tijdens een toneelrepetitie van de eerste akte werken regisseur, assistenten, pianist en andere stafleden met de zangers en figuranten. Er staan negen man op het geïmproviseerde podium in een studio, en dat is nog maar eenderde van de zangers, lakeien, intriganten en musici die straks het toneel moeten bevolken. Sopraan Camilla Nylund (de Feldmarschallin) oogt vermoeid aan het eind van deze middag, maar Gloger – roze overhemd, snelle lok – is hyperactief en zeer gedetailleerd in zijn vele aanwijzingen.

Rosenkavalier gaat over liefde en vergankelijkheid, maar is ook een sociale komedie”, zegt Gloger na afloop. „Daarom wil ik geen abstracte enscenering maar een concrete hedendaagse periodisering. Het sociale aspect is nog steeds herkenbaar immers. Het gaat over geld: het echte geld van de Feldmarschallin, het nieuwe geld van de vader van Sophie, een parvenu. En het valse geld van Ochs, die eigenlijk helemaal geen geld heeft.”

Gloger laat de maatschappelijke neergang zien die Der Rosenkavalier in drie aktes doormaakt: via de villa van de Feldmarschallin naar het nieuwe stadpaleis van Sophie’s vader, eindigend in een boerse kroeg. Of, vertaald naar nu: een statig oud huis, een kitscherige huwelijkstent en een shabby hotel.

De regisseur heeft de reputatie mild provocatief te zijn, sinds hij in 2012 Wagners Der fliegende Holländer in Bayreuth een ironisch slot gaf dat de oorspronkelijke catharsis van opoffering en verlossing ondergroef. Maar in Der Rosenkavalier past hij dergelijke ingrepen niet toe, zegt hij: „Wagner is heel conceptueel en staat zeer verschillende interpretaties toe. Maar deze opera functioneert alleen als je je met de ronde personages op het podium kunt identificeren, individuen die Strauss zeer nauwkeurig op muziek zette.”

Gloger probeer professionele afstand te bewaren, maar ook hij moet bij het Terzet aan het eind van de opera soms toch een beetje huilen. „Ik ben 33, één jaar ouder dan de Feldmarschallin. Dat is inderdaad de leeftijd waarop je begint te beseffen dat het leven niet voor eeuwig is.”

    • Floris Don