Column

God is terug in Lage Mierde

Een half jaar geleden schreef ik over mijn oude schoolmeester in het Brabantse dorp Lage Mierde. Meester Leenders. Een op het eerste oog autoritair, 19de-eeuws hoofd van de school – hij kende alle kinderen en weefde poëzie door zijn lessen. Na zijn pensionering bleef hij in het dorp wonen om de bewoners om de zondag het evangelie in gewone woorden uit te leggen. De kerk liep leeg en ging in 2013 dicht.

Meester Leenders en zijn tientallen toehoorders weken uit naar de kapel van het bejaardenhuis. Hij deelde er hosties uit die tevoren door de pastoor waren gezegend.

Dit jaar verbood de pastoor de meester om nog langer de hosties uit te delen. De gebedsdiensten mochten niet meer. „Ik ben mijn kerk kwijt, de kerk die me verrekte lief is”, zei de meester tegen mij.

In de weken daarna zocht hij zeven geestverwanten op, die ook hun kerk kwijt waren geraakt. Uit het dorp en uit de twee andere kerkdorpen, Hooge Mierde en Hulsel. Hij stuurde ze een stuk uit de krant toe over een parochie die sluiting van de kerk via de rechter had voorkomen. „Is dit soms een idee”, schreef hij er met rode viltstiftletters bij. „Nee”, schreef een van de geestverwanten hem terug. „Dat is niets voor de Kempische mens.”

De Kempische mens was de archetypische voorvader van de huidige Mierdenaren: een straatarme boer of boerenknecht, blij de monden van de kinderen te kunnen vullen. Gehoorzaam aan de pastoor, stil. Alleen onder elkaar spraken de dorpelingen zich uit. „Dat is nog steeds zo”, zegt meester Leenders.

De acht geestverwanten (leerkrachten, ondernemers, een ambtenaar) kwamen bij elkaar en besloten een kerk van het volk op te richten. Om de twee maanden een gebedsdienst met persoonlijke getuigenissen in gemeenschapshuis De Ster in Lage Mierde. Niet alle acht geloven ze in de god van de katholieke kerk.

„Wat vieren we dan eigenlijk als we samenkomen”, vroeg meester Leenders. „Ons geloof”, zeiden de anderen.

„Is het dan niet zinnig dat we dan ons geloof belijden”, zei de meester. „Nee”, riepen de anderen. Belijden, dat klinkt naar oude liturgie in het Latijn, naar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hier moest ruimte zijn voor vrijdenkers.

„Ach”, zegt de meester me later, „het moet allemaal nog groeien en vorm krijgen.”

In Dorpsnieuws verscheen een aankondiging van de dankviering. „Dat onze kerk is gesloten, wil niet zeggen dat wij niet meer in ons dorp kunnen samenkomen om ons te bezinnen”, schreef initiatiefnemer Jac Naus. Zouden de Mierdenaren nog naar de kerk wíllen?

Afgelopen zaterdagavond kwamen ze voor het eerst als kerk bijeen: 160 mensen in De Ster. Iedereen zong mee, de nieuwsgierigen en de vromen, de jongen en de ouden. Meester Leenders las het evangelie over de barmhartige Samaritaan die de Heer dankbaar was voor zijn genezing en daardoor genas. „Onze wereld is bepaald geen paradijs”, zei de meester in zijn overweging. „Als de verwondering weg is en we alles vanzelfsprekend vinden, verdwijnt de dankbaarheid.”

Na afloop vielen ze elkaar om de hals. Het volk had het gewonnen van het bisdom. „Hier staan we en we kunnen niet anders”, zei meester Leenders. „Nu afwachten of ze blijven komen.”