Een van de beste festivals in jaren

Dirigente Christina Pluhar Remke Spijkers

Het lijkt onmogelijk geen mening te hebben over Christina Pluhar en haar ensemble L’Arpeggiata. Volgens de Oostenrijkse dirigente mag er wel wat pit in de oude muziek. Wie een concert van L’Arpeggiata bezoekt, kan rekenen op theater, improvisatie, swing en overvloedige percussie. Dat hun Dido and Aeneas in het Festival Oude Muziek anders dan anders zou zijn, stond vast.

Er zaten meer voorstanders in de zaal tijdens de semi-concertante uitvoering van Purcells opera, zaterdag in TivoliVredenburg. Slechts een paar mensen verliet de Grote Zaal voortijdig. Terwijl L’Arpeggiata er alles aan deed om oudemuziekpuristen op de kast te jagen. Een solo op een melodica, een schurend jazzintermezzo op de contrabas, Keith Emerson-achtige impro op kistorgel en zelfs een travestie-act. Grappig: een heksenkoor zette Pluhar een heksenhoed op het hoofd, een verwijzing naar haar gothicachtige verschijning.

Bont? Ja. En inderdaad ondermijnden al die toevoegingen het dramatisch verloop. Maar L’Arpeggiata heeft wel een punt: een Dido and Aeneas die alleen maar op tranen uit is, is evenmin authentiek. Pluhar wees op de humor die uit de barokke opera weg gefilterd is. Overigens gaven de musici in het slot de tranen wel alle ruimte. ‘Dido’ Mariana Flores zong een gedroomde When I am laid in earth die ook de hardnekkigste Arpeggiata-haters zal bijblijven.

Het was sowieso een festival dat niet snel zal worden vergeten. Want ondanks een valse start (het slecht ontvangen openingsconcert van Hespèrion XXI) behoorde deze editie, die Engeland als thema had, tot de beste in jaren. De Engelse koren (met als uitschieter het verjongde Gabrieli Consort van Paul McCreesh) toonden zich superieur en de vele bijdragen van ‘koor in residence’ Vox Luminis waren fris en verrassend.

Minstens zo belangrijk is dat het festival inhoudelijk sterker is geworden. Met de ‘eventalks’ (lezingen naar de anglicaanse praktijk van Evensong – een door zang omlijst avondgebed), de zomerschool en de openbare klavecimbelmasterclasses ging het festival weer ergens over. Zo werden er vraagtekens gezet bij de typische ‘Engelsheid’ van Engelse componisten. Is die er wel, en zo ja, waarin is die te herkennen?

Dat het festival lijkt af te stevenen op een kwart een half miljoen structurele Rijkssubsidie is behalve een opsteker dan ook terechte erkenning voor een festival van internationale allure. Volgend jaar is het er weer: dan met thema Venetië.

    • Merlijn Kerkhof