‘Een does? Wat is dat?’

Toen ik als eerstejaarsstudent op kamers ging wonen in Amsterdam, zei mijn huisbaas, een tramconducteur: „Er is geen douche op je kamer, maar je kunt bij ons douchen. Wij douchen op zaterdagochtend en je kunt kiezen: vóór of na ons.”

Dat was in 1980. Ik kan me niet voorstellen dat mijn huisbaas, die met vrouw en kinderen op een etage bij het Vondelpark woonde, indertijd als enige een dergelijk doucheregime voerde.

Sterker nog: zonder twijfel zijn er nog altijd mensen die weinig douchen (bijvoorbeeld omdat ze er een droge huid van krijgen), maar de meeste Nederlanders douchen waarschijnlijk minstens één keer per dag. En het liefst lang.

Prinses Laurentien probeert daar al jaren iets tegen te doen. Op de Nationale WaterSpaarders Dag riep zij vorige week op om niet langer dan vijf minuten te douchen. Want dat is beter voor het milieu.

Of je nu lang of kort doucht, vaak of minder vaak: iedereen weet nu wat een douche ís. Dat heeft een flinke tijd geduurd.

Aanvankelijk was douche een medisch begrip. Vanaf 1761 komen we dit Franse leenwoord in Nederlandse bronnen tegen in de betekenis ‘gekwetste ledematen ter genezing met warm bergwater overgieten’. Krankzinnigen werden onder een koude douche gezet, kuuroorden en vervolgens ook openbare badhuizen hadden ook een warme douche.

Daar, in die openbare badhuizen, maakten veel Nederlanders voor het eerst kennis met wat aanvankelijk ook wel een drupbad, gietbad of stortbad werd genoemd.

Aan het begin van de 20ste eeuw was het in sommige volkswijken niet ongebruikelijk dat kinderen onder begeleiding van een onderwijzer naar het badhuis gingen. Een beschrijving hiervan vinden we onder meer in een boek uit 1909 van Simon Abramsz., getiteld Levende beelden, schetsen uit de hoofdstad.

Als een oud besje op straat een groepje meisjes met hun onderwijzeres ziet lopen, vraagt zij aan een visvrouw: waar gaan die naartoe?

De visvrouw: „Baaie, moedertje. Ja, je mot d’r teugeswoordig maar om komme! Elleke week baaie en ’s winters warrem ete op skool!”

Baaie die kinderen in koud water, wil de oude vrouw weten.

De visvrouw: „Wel nee, mensch, ze krijge ’n warreme does.”

Omdat de oude vrouw niet weet wat een does is, zegt de visvrouw:

„Och, dan zette ze zooveul as ’n kraantje ope en dan valt ’t water met permissie zoo maar op je bloote lijf. Mot je me jonges hoore; die zijn d’r dol op.”

Niet alleen oude besjes, ook veel kinderen wisten lang niet wat een douche was. In 1946 schreef Piet Bakker in Jeugd in de Pijp: „Toen we in iets beteren doen kwamen mocht ik op Zaterdagavond voor zeven en een halven cent naar de Govert Flinck om mij te douchen. […] Ik schepte er tegen vriendjes zoo nonchalantweg over op. Een tikje geraffineerd: ‘Zeg, durf jij onder de kouwe does te staan?’ Dan keken ze je schaapachtig aan. ‘Een does? Wat is dat?’

‘Hèè! Weet je nog niet eens wat een does is? Man, zoo’n vergiet waar allemaal straaltjes water uitkomen.’ ”

Zijn vriendjes keken hem verbijsterd aan: zoveel geld uitgeven alleen om je te wassen, dan moest je óf gek óf schatrijk zijn.