De grenzen van de dood

De overleden Koerd Mohammed Jahangir wil niet begraven worden in Nederland. Hij wenst een teraardebestelling in zijn geboortegrond, in Iran. Ondanks zijn voorliefde voor regels en procedures valt Milan den Hartog, de andere hoofdpersoon en ik-verteller in Zeg maar dat we niet thuis zijn, niet echt over het verzoek van Jahangir. Want Milan is een ‘geboren uitvaartondernemer’, die zijn roeping kent in dienen, behulpzaam zijn. Dat heeft een keerzijde: werkelijk léven kent deze dertiger nog niet.

Vanuit het mortuarium stalkt Jahangir de levenden met zijn repatriëringswens. Hij stuurt zijn zoon mailtjes en spreekt in tussenhoofdstukken tot Milan. Hoe zweverig dat spookperspectief, toch een literair waagstuk, ook mag klinken: die stem is sterk, waardoor ze werkt en overtuigt. Rashid Novaires vierde roman zit daardoor stevig in elkaar. Hij houdt ons bovendien een spiegel voor met zijn dubbele perspectief: de Hollandse nuchterheid versus de Perzische poëzie. Novaires kracht is dat die tegenstelling niet voortduurt en zijn boodschap dan ook niet eenduidig wordt. Terwijl de roman begint met het belang van de geboortegrond, eindigt het in het besef dat identiteiten wel gevormd zijn, maar niet vast staan.