Als de molens janken

In de Noordoostpolder woedt een bittere strijd tussen de boeren met windmolens en bewoners die er last van hebben. „Ik word door mijn eigen overheid belazerd.”

Foto’s Sake Elzinga

Het is eerlijk gezegd best lastig te bepalen wat het geluid is waar sommigen in de Noordoostpolder zoveel last van zeggen te ondervinden. Windturbines, de wieken meegerekend bijna tweehonderd meter hoog, staan in al hun reusachtigheid onvermoeibaar lucht te scheppen, maar veel herrie lijken ze niet te maken. Of toch? „Het is vandaag niet zo erg, maar horen doe ik ze zeker wel”, zegt Henk Hoving, bewoner van een boerderij achter de dijk van het IJsselmeer. „Niet iedereen heeft er even veel last van. Dat wisselt per persoon.”

We spitsen de oren. Opperste concentratie. De gedachte uitbannend dat wonen in een drukke stad of langs een autoweg echt erger is. Ook even niet denkend aan mensen hier in de omgeving die er totaal geen hinder van zeggen te ondervinden. En waarachtig, na een paar minuten krijgen we enig gevoel voor wat Hoving bedoelt als hij het geluid vergelijkt met wanneer je blaast over een fles. Woeee. Woeee. Woeee. We beginnen een bromtoon te horen. Licht. Alsof ver weg vliegtuigen aanstalten maken om op te stijgen. Misschien moet je hier wonen om er langzaam gek van te worden. Hoving: „Het is moeilijk uit te leggen. Dat komt omdat het hier normaal gesproken helemaal stil is. Vroeger kon je op vijf kilometer een bootje op het IJsselmeer horen varen.”

Vijf jaar geleden waren we hier ook. Sindsdien zijn vriendschappen verbroken. De windmolens gaan de bijna veertig participerende boeren over enkele jaren misschien rijk maken en drijven andere burgers, vaak hun buren, tot wanhoop. Tot de laatste groep behoort Piet Reinders. Hij heeft zijn huiskamer zo ingericht dat hij tijdens het lezen van een krant niet steeds een van de drie windmolens in zijn directe omgeving hoeft te zien. Voor een van de ramen hangt permanent een gordijn.

Reinders: „Ik heb altijd gezegd dat de waarde van mijn huis lag in de locatie. Stilte. Duisternis. Uitzicht. Dat is allemaal weg. Ik kan mijn huis niet meer verkopen. Het was mijn pensioen. Ik moet hier de rest van mijn leven blijven.” Henk Hoving: „Onze huizen zijn minder waard geworden. Ze zijn niet te verkopen. Officieel wil de gemeente Noordoostpolder niet van een waardedaling spreken, want dat kun je pas weten als er woningen worden verkocht, redeneren ze. Intussen hebben ze mij wel 5 procent korting gegeven op de onroerendezaakbelasting, uit coulance, en heeft de rechter onlangs bepaald dat dit 15 procent moet zijn. Ik ben blij met die uitspraak.”

Sommige bewoners van Creil, Espel en Tollebeek hebben al jaren last van particuliere windmolens op het erf van verschillende boeren. Daarover spraken we hier vijf jaar geleden. Daar komt nu het windpark Noordoosterpolder bij. Dezer dagen worden langs de dijk en in het IJsselmeer 86 windturbines gebouwd: 38 op het land, vrij dicht bij de woningen, en 48 turbines in het water. Tegelijkertijd worden 55 bestaande windturbines verwijderd. Eén van de nieuwe turbines, op 650 meter afstand, vergalt het leven van Harrie Hageman door een „laagfrequent resonantiegeluid”, schrijft de bewoner. „Op dit moment slaap ik, voor het eerst van mijn leven, uitsluitend met oordopjes in. Ik kocht een dure koptelefoon die ook omgevingsgeluid wegzeeft en die ik binnen en buiten opzet als de molens janken. Wij hebben dit jaar voor het eerst tijdens de zomer niet ons hele huis kunnen bewonen. De reden hiervoor is dat de meeste molens al bij normale wind een, voor sommigen, onverdraaglijk getoeter produceren.”

Ruisende bomen

We willen de klagers graag geloven. Maar veel herrie horen we niet en ook drie voorzitters van dorpsverenigingen in de buurt zeggen dat het reuze meevalt. Dorpsvoorzitter Lauran Hermus uit Creil: „Ik zeg niet dat je molens nooit kunt horen. Als je ergens tegen bent, zoals tegen de bouw van dit windmolenpark, dan kun je je aan elk geluid ergeren. Maar meer geluid dan ruisende bomen maken ze niet.”

Ook voor dorpsvoorzitter Gilbert Bastiaanssen uit Espel is de kwestie onbelangrijk. „Waarom hoor je nooit iets positiefs over die molens? Ze staan hier aan het einde van de polder in een mooie lijnopstelling. Zelf woon ik op zevenhonderd meter afstand. Van de oude windmolens hadden we wel eens last, want daar zaten tandwielkasten in. Van deze niet.” Dorpsvoorzitter Jan Swart uit Tollebeek zegt nooit klachten te krijgen. „De molens zijn véél stiller dan de vorige. Mijn persoonlijke mening is dat je door de molens de contouren van de polder beter ziet, een kunstenaar had het kunnen bedenken. En we hebben nu eenmaal een probleem: we moeten minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen.”

De klagers volharden in hun verdriet dat de rust is verdwenen. En misschien nog betreurenswaardiger is de ontwrichting van hun sociale leven. Piet Reinders vertelt dat hij op een windstille zomeravond met vrienden in zijn tuin zat en na enkele glazen wijn zowaar de moed kon opbrengen een van zijn buren te vragen alsjeblieft zijn windmolen even stil te zetten. „Nee”, was het antwoord. „Want dat kost geld.” Dat heeft de relatie geen goed gedaan. Reinders kreeg vroeger de laptop van een andere buurman als die van huis was en zijn windmolen niet zelf kon bedienen. „Dat ging in goede harmonie.”

De buurman maakt nu deel uit van het consortium dat het windpark bouwt, en zwijgt. „Hij mag niet meer met ons praten. Dat heeft hij ons huilend verteld.” Hoving: „Mensen van het windpark praten niet. Als wij iets willen afspreken, bijvoorbeeld over een schadevergoeding voor de waardedaling van woningen, dan vinden wij de deur gesloten. Molenboeren en overheid vormen een gesloten front tegenover de bevolking, zo ervaren wij dat. ”

Je moet de emoties die de windmolens oproepen niet onderschatten, zeggen Reinders en Hoving. Wat hun nog het meest dwarszit, zeggen ze, is dat de omwonenden nooit een echte gesprekspartner zijn geweest voor de boeren en verschillende overheden die dit „waanzinnige project” na veel onderling geruzie besloten te bouwen, maar als „tegenstander” zijn beschouwd sinds zij een keer gebruik hebben gemaakt van hun recht op inspraak. Hoving: „De bouwers, de bedrijven, de boeren, de banken en de overheid staan met hun rug naar de bewoners. Wat ons steekt, is dat wij niet mogen meepraten. Terwijl wij toch ervaringsdeskundigen zijn, want er staan hier al heel lang windmolens. Wat ons stoort is dat wij niet op iemand af kunnen stappen als wij ergens last van hebben – zoals je, wanneer een buurman bijvoorbeeld met veel herrie het gras maait, hem vraagt daar even mee te stoppen. Er wordt gezwegen. Als wij klagen dat we ’s nachts tegen een partij rode knipperlichten bovenin de turbine aankijken, wat volgens de natuurwetgeving niet mag, dan stuurt de provincie niet iemand die dat controleert, maar alleen een formeel-juridisch briefje. Als wij klagen dat het geluid van de windmolens niet wordt gemeten, maar alleen per jaar wordt berekend aan de hand van de fabrieksgegevens van de molens, dan krijgen we van de herriemakers alleen als antwoord dat de overheid achter hen staat. Wij voelen ons bedrogen.”

Piet Reinders zou weleens over een „fatsoenlijke” schadevergoeding willen overleggen. „Bewoners langs de Betuweroute zijn toch óók gecompenseerd?” Hij voelt zich vernederd. „Ik heb altijd geprobeerd fatsoenlijk te leven. Misschien ben ik naïef geweest. Ik heb gemerkt dat het land waar ik in leef, niet fatsoenlijk is. Ik word door mijn eigen overheid belazerd.” Intussen ergert hij zich aan de „nieuwe geldadel” die aan het ontstaan is van de boeren die participeren in het windpark. Reinders: „Het irriteert mij geweldig dat de keuterboeren die vroeger met grote moeite aardappelen stonden te poten, nu ineens een grote BMW voor hun deur hebben staan. Die hebben ze zomaar van de overheid gekregen. Wat hebben ze ervoor gedaan?”