‘Ik blijf nog even kletsen.’ De laatste gesprekken met René Gude

Waarom schrikken wij zo van een doodskist? NRC-journalist Rosan Hollak volgde René Gude, die dit jaar overleed, voor haar boek. Een voorpublicatie.

Waarom schrikken wij zo van een doodskist? En wat heeft het grote publiek aan de ideeën van een filosoof? NRC-journalist Rosan Hollak volgde de Denker des Vaderlands René Gude, bij wie in 2007 botkanker werd geconstateerd, in zijn laatste levensjaar tot aan de dag voor zijn dood. Ze vroeg hem uit te leggen wat het verschil is tussen een vakfilosoof en een publieksfilosoof en legde hem vragen voor over zijn publieke leven en sterven.

Zo sprak Gude in september 2014 nog met zijn vrouw Babs over zijn naderende dood in het EO-programma De Kist waar hij poseerde in een eenbenige kist die hij – aangezien hij zijn rechterbeen al sinds 2011 miste – speciaal had laten maken. De resultaten van deze gesprekken zijn te lezen in het boekje ‘Ik blijf nog even kletsen.’ De laatste gesprekken met René Gude, dat deze week uitkomt.

Hieronder vast enkele fragmenten uit het boek. Als NRC-ebook (5,99 euro) is het hier verkrijgbaar, de paperback-versie is hier te koop.

Hoe was het toen de doodskist werd binnengedragen?

“Ik had me voorbereid. Hoe zou het zijn? Door die gedachten waren mijn eerste gevoelens hierover bij voorbaat wat getemperd. Maar het mooie van emoties is dat ze toch alleen plaatsvinden op het moment zelf. Toen ik werd geconfronteerd met die kist kon ik het pas voelen. Ik schrok, ik dacht: ‘Verdomme, daar staat ie dan echt!’ Toen realiseerde ik me wel: straks ga ik dood en dan lig ik in dit ding onder de zoden. Bij dat idee liepen de rillingen over mijn lijf.”

Uiteindelijk ben je in het EO-programma ook in je kist gaan liggen. Je hebt ook geposeerd in die kist voor een foto in NRC Handelsblad.

“Zoiets doe je niet eventjes. Ik ben heus niet een of andere flierefluiter die flauwe, surrealistische geintjes wil maken. Maar de vraag is: doe je het dan niet omdat het zo’n weerzinwekkende situatie is? Ik heb in de afgelopen jaren in de media over alle aspecten van de dood gesproken – de angst, de woede, het verdriet – alleen de weerzin was nog niet aan bod gekomen. Juist dat onderdeel van de dood wilde ik bespreekbaar maken.”

Ben je niet te ver gegaan? Heb je van je eigen stervensproces niet één groot mediaevent gemaakt?

“In Ghana heb je doodskisten in de vorm van mobieltjes, een gymschoen of een Chevrolet. Die kist staat soms al weken naast het huis van een zieke of stervende. Dat is zo heerlijk onbevangen. In het Westen hebben we de neiging om alle emoties rondom de dood in toom te houden of weg te drukken. Waarom? Toen mijn kist voor het eerst naar binnen werd gedragen, was een vriend bij mij op bezoek. Hij reageerde zeer emotioneel en gilde: ‘Weg met die kist! Ik wil het niet zien!’ Toen was ik ook aangedaan, ik dacht: wat ben ik ook een lul dat ik dit doe. Ik begreep zijn reactie.”

Maar toch…

“Het is belangrijk die primaire emoties toe te laten. Wanneer die eerste afkeer is afgezakt, kun je gaan benoemen wat er aan de hand is. Zo creëer je de gelegenheid om, met name voor de achterblijvers, het verlies van een dierbare toe te laten. Het is goed dat gezamenlijk te doen. Als je weigert over het sterven te praten met elkaar, zitten degenen die achterblijven met onafgemaakte dingen. We moeten de dood ontkoppelen van die eerste schrikreactie. Als je daarna de andere emoties toelaat, zakken de woede en de angst weg, en blijft vooral het verdriet over. Heel veel verdriet. En die emotie is mooi, want bij verdriet kun je verwijlen.”

Heeft je ziekte er aan bijgedragen dat je de afgelopen jaren in de spotlights bent komen te staan?

“Zeker. Om met een Elsevier-journalist te spreken: voordat deze man een been verloor, had nog niemand van hem gehoord. Een kern van waarheid zit daar wel in, want door mijn ziekte wil nu iedereen van mij horen. Dat maakt mij gelukkig. Ook omdat ik wel echt iets te bieden heb. Ik wil geen valse bescheidenheid tonen. Het is fijn om datgene waar je zo lang aan hebt gewerkt met een breed publiek te kunnen delen.”

Wat heb je willen delen?

“Filosofie betekent ‘liefde voor wijsheid’. Wijsheid betekent goede kennis, adequate kennis, kennis van zaken, weten wat je moet doen. Zo richt je de aandacht op de verklarende schema’s die je jezelf voorschotelt en hoe je die wil verbeteren. Filosofie betekent niet antipathie tegen de emoties en het promoten van de ratio. Nee, het betekent dat de ratio zichzelf de opdracht geeft om geen waanzin uit te kramen. Met als uitgangspunt het nadenken over het menselijk tekort. Daarvoor kunnen we het beste met elkaar in gesprek gaan. Op die manier kunnen we een collectieve intelligentie ontwikkelen over problemen die nu in de samenleving spelen. Onderwerpen als euthanasie, dood, ontslag of echtscheiding – als we daarover gezamenlijke inzichten ontwikkelen, kunnen we misschien wel beter gaan reageren op ingewikkelde situaties.”

Het is me opgevallen dat je geniet van het geven van interviews.

“Dat klopt. Ik vind het een eer en zelfs bevrijdend om te mogen vertellen over dingen waar ik al vijfendertig jaar mee bezig ben geweest. Ik heb me als een terriër in bepaalde thema’s gebeten en had roemloos ten onder kunnen gaan. Je kunt namelijk veel weten maar niet de mogelijkheid krijgen om er ook over te vertellen. Maar omdat collega’s hadden besloten dat ik een tijdje de Denker des Vaderlands kon zijn, heb ik een kans gekregen.”

Hoe zou je willen samenvatten wat je hebt gedaan?

“Bij de Internationale School voor Wijsbegeerte ben ik ooit begonnen als conciërge. Ik zorgde ervoor dat de zaal schoon was, de koffie werd gezet en de boel niet onder de spinnenwebben kwam te zitten. Als conciërge van de filosofie heb ik eigenlijk iets soortgelijks gedaan. Ik heb erop toegezien dat filosofische teksten niet onder het stof zijn komen te zitten. Dat vind ik een mooi beeld.”

‘Ik blijf nog even kletsen’. De Laatste gesprekken met Rene Gude. Rosan Hollak. 12,50. E-book 5,99. ISVW Uitgevers/NRC Media