Targets halen, dat was niets voor haar

Verpleegkundige Christine Schuil-Carstens (1957-2015) runde het ziekenhuis als de artsen naar huis waren: in de avond, de nacht of in het weekend.

Hetzelfde armbandje voor moeder en dochters; met kleindochter in de winter van 2013

Voor een ziekenhuis heeft het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam een opvallend vriendelijke sfeer. Op de verpleegafdelingen zijn de gangen niet recht, kil en lang maar bijna kronkelig. De kleuren zijn warm, maar ook niet overdreven behaaglijk. De mensen die er werken lijken er graag te zijn. Je begrijpt waarom ze spreken van ‘het huis’ als ze hun werkplek bedoelen. Toch, het is een kankercentrum. Een plaats waar je liever niet terecht komt, in ieder geval niet als patiënt.

Verpleegkundige Christine Carstens werkte er 27 jaar. Ze begon als invalkracht en was de laatste tien à vijftien jaar verpleegkundig hoofd buiten kantooruren. Dat zijn de uren dat verpleegkundigen het ziekenhuis runnen. Geen chemo’s, geen bestralingen, alle artsen de deur uit, tijd voor aandacht en zorg. Met een karakteristiek loopje, het gevolg van een aangeboren rugafwijking, liep Carstens haar rondes door het ziekenhuis. Op haar crocs kwam ze de afdelingen op, aantekenboekje onder de arm. Hoe druk het ook was, eerst vroeg ze aan de verpleegkundigen hoe het met hen ging.

Ze kreeg tijdens haar diensten de patiënten aan de lijn die belden vanuit huis, omdat ze koorts hadden gekregen of zich erg beroerd voelden. Als dat leidde tot een spoedopname ving ze hen op, hielp de arts-assistent van dienst, zorgde voor een cardiogram, prikte een infuus. Ze deed dat zo dat patiënten zich welkom voelden, al was het midden in de nacht.

Eind vorig jaar bleek ze zelf ziek te zijn. De ziekte van Kahler, beenmergkanker, een agressieve vorm. Het bericht ging als een schokgolf door het ziekenhuis. Toen ze weg was, en collega’s ervaringen over haar gingen uitwisselen, bleek pas hoe belangrijk haar aanwezigheid was in de dagelijkse confrontatie met lijden, strijd en pijn. Wat maakte juist haar bijzonder, vraagt een lid van haar team zich af. Het had te maken met oprechte persoonlijke belangstelling, gebrek aan stress in haar manier van doen, hoe ze uitdroeg dat er ook in moeilijke tijden iets te genieten viel. Ze had iets sprankelends, zegt een maag-darm-leverarts.

Ze koos voor behandeling in een streekziekenhuis om collega’s niet te veel van hun werk te houden. Acht maanden was ze ziek. Op 15 augustus overleed ze, 57 jaar.

Christine Carstens werd geboren in Spannum in Friesland, de jongste dochter van een predikant met negen kinderen. Haar moeder was manisch depressief en kon niet altijd voor de kinderen zorgen. Christine, een ondeugend kind, werd ook opgevoed door haar oudere zussen. De familieband was en bleef hecht. Haar keuze voor de opleiding verpleegkunde in Groningen was een familietraditie; drie zussen hadden eveneens zorgende beroepen. Maar het was ook een passie. Op reis in Turkije trof ze eens een busje dat een aanrijding had gehad. Een oude vrouw zat ontredderd langs de kant van de weg. Carstens stapte uit, liep naar haar toe, aaide over haar hoofd, praatte tegen haar in het Nederlands. De vrouw leefde zichtbaar op.

Carstens voelde aan wat mensen nodig hadden. In het ziekenhuis las ze soms Paroolcolumns van haar nicht Roos Schlikker voor aan jonge terminale patiënten. Dat vrolijkte hen nog even op, zei ze. Haar zorgzaamheid gold niet alleen patiënten en verpleegkundigen, maar ook de laboranten, chirurgen, receptionistes, internisten en het keukenpersoneel. Ze was actief in de kerk en bezocht heel haar grote familie, tot aan achternichten toe. Er waren weinig mensen die nooit een potje zelfgemaakte jam van haar hadden gekregen, of een bos dragon uit eigen tuin.

Zakelijk was Carstens niet. De overdrachten aan het einde van haar diensten duurden lang, ze maakte zijsprongen, lette niet op de tijd. Ze vond het moeilijk om kritische feedback te geven want ze waardeerde iedereen. Tijdens haar lange loopbaan nam de bemoeienis van zorgverzekeraars met het ziekenhuis toe. Productie draaien, targets halen, optimale bedbezetting – niets voor haar. Het administratieve deel van haar werk, de steeds maar uitdijende verplichte verslaglegging, deed ze regelmatig na de nachtdienst thuis, om er geen zorgtijd aan te verspillen.

Ze was te veel een levensgenieter om daardoor gefrustreerd te raken. Met haar tweede echtgenoot woonde ze in ’s Graveland aan de rand van het bos, een plek die ze ‘het paradijs’ noemden. Vaak waren er logeerhonden in huis. Ze vergezelde haar man op werkreizen naar Azië, bezocht haar jongste dochter in San Francisco.

Tweede Kerstdag was haar laatste werkdag. Ze viel in voor een collega die eerder dat jaar haar man verloren had. Al enige tijd voelde ze zich niet goed. Ze was er zoals ze er altijd was, open en belangstellend. Maar ze had ook heel erg veel pijn. Achteraf vroegen collega’s zich af of ze haar niet eerder hadden moeten dwingen thuis te blijven. Zelf verweet ze niemand iets. Tussen de chemo’s door bleef ze kaartjes, mails en appjes sturen, naar de fysiotherapeut fietsen en geloven in genezing. Bijna tot op het laatst.

    • Joke Mat