Taal telt zwaarder dan identiteit

Simon Kuper heeft geen nationale identiteit en dat vindt hij prima. Identiteit is niet zo belangrijk. De enige eis die hij aan zijn vrienden stelt, is dat ze dezelfde taal vloeiend spreken.

foto jimmy nelson

Mijn eerste Nederlandse schooldag zie ik nog zo voor me. Het was 1976, ik was zeven jaar oud, we waren net vanuit Londen in Oegstgeest geland, en ik sprak maar een paar woorden Nederlands. Die eerst ochtend zat ik onbegrijpend in mijn schoolbankje. In de pauze liep ik met mijn blonde klasgenootjes het schoolplein op. Ik ging op een hekje zitten, zij verzamelden zich om me heen en zongen mij een liedje toe waarvan ik geen woord begreep.

Na tien jaar Nederland verhuisde de familie Kuper weer naar Engeland. Ik had vrede met ons vertrek, vooral omdat ik inmiddels door had gekregen dat ik nooit Nederlander zou kunnen worden. (Een Engelstalige vriendin die al haar hele leven in Nederland woont, zegt: niemand kan Nederlander worden.) Toch heb ik ook als ex-allochtoon mijn banden met het land altijd behouden. Bijna dertig jaar na mijn emigratie schrijf ik deze essay in het Nederlands, volgens mij zonder al te veel taalfouten.

Inmiddels woon ik alweer dertien jaar in Parijs, omdat ik er ooit een goedkoop flatje kon kopen, al tik ik dit artikel op het balkon van mijn schoonmoeder in Miami. Kortom, ik ben wereldburger geworden. Mijn leven is een soort ervaringscursus ‘identiteit’. Wat ik heb geleerd: identiteit (of het nu etnisch is, nationaal of cultureel) is niet eens zo belangrijk. Taal telt zwaarder.

De ervaringscursus identiteit begon al voor mijn geboorte. Mijn ouders waren joden uit Zuid-Afrika. In het apartheidsland was je etniciteit alles. De scheiding tussen joden en Afrikaners was er bijna even rigide als die tussen blank en zwart. Mijn ouders groeiden op in een joods getto in Johannesburg. Later gingen ze in Engeland studeren, ik werd in het ziekenhuis van de Anglicaanse kerk in Oeganda geboren, en na nog een paar landjes verhuisden we naar Nederland. Dat deden mijn ouders niet juichend, maar mijn vader had er een goede baan gekregen.

In de jaren zeventig en tachtig vlogen we soms in de kerstvakantie naar familie in Zuid-Afrika. Dan reden we over ijzige wegen naar Schiphol, landden de volgende ochtend in de zuidelijke zomer en sprongen in het zwembad van mijn opa en oma. In de keuken bakte één van de zwarte dienstmeisjes intussen een chocoladetaart.

Mijn herinneringen aan de apartheid zijn de indringendste beelden van mijn jeugd – spannender dan wat je indertijd in Leiden meemaakte. Nu nog vergelijk ik elke samenleving die ik aantref met Johannesburg omstreeks 1986. De segregatie in Miami en Amsterdam is voor mij dus zeer herkenbaar.

Mijn diepste ideologie is dat ik het samenklonteren op basis van etniciteit afwijs. Ik vind het zo primitief. Ik wil niet in een getto leven, en het staat me tegen als anderen dat doen, ook al is het vrijwillig. Dat heb ik van de apartheid geleerd.

Ik heb nooit deel willen (of kunnen) zijn van een etnisch of nationaal groepje. Ik ben mijn hele leven buitenlander gebleven. („Jaja”, onderbrak een Britse vriend van me ooit ongeduldig, „maar als er oorlog zou komen tussen Nederland en Groot-Brittannië, voor wie zou jij vechten?” „Dan smeer ik hem meteen,” zei ik.) Mijn vader is antropoloog van beroep, en ik ben het uit instinct: altijd observeer ik als buitenstaander de samenleving waarin ik woon.

Die antropologische observatie leerde ik in Nederland, maar bijna zonder behulp van Nederlanders. Een ‘typisch Nederlands’ kenmerk is namelijk de vanzelfsprekende omgang van Nederlanders met hun Nederlanderschap. Simpel gezegd: zeker voor 9/11 en Pim Fortuyn dachten ze er amper over na.

Nederlanders beschouwen het Nederlander-zijn als ‘de normale toestand’, zegt de Nederlands-Amerikaanse historicus James Kennedy. Iets anders is voor hen raar. Volgens Kennedy zijn Nederlanders hun historie als arm emigratieland grotendeels vergeten. Al zestig jaar hoeven zij niet meer in een ander land voorgoed een andere identiteit aan te nemen, en daarom is het Nederlandse politieke debat over identiteit ook zo simplistisch. Het is gewoon niet iets waar Nederlanders veel ervaring mee hebben. Zo vertelde een Nederlandse vriend mij ooit dat hij het vreemd vond dat ik over mijn ‘etnische identiteit’ sprak. Zelf had hij namelijk geen etnische identiteit, vertelde hij. Hij was gewoon wie hij was, een soort natuurverschijnsel.

Ik zei dat als hij naar Zambia zou verhuizen, hij gauw genoeg zijn etnische identiteit als Nederlander zou ontdekken.

„Ja, dan wel”, zei hij.

Maar waarom zou hij naar Zambia verhuizen?

Het observeren van Nederlanders leerde ik vooral van mijn vader. Vóór Leiden hadden wij een jaar in Zweden gewoond, en als antropoloog vond hij de verschillen tussen de twee volkeren frappant. Neem hun vakanties, zei hij. Het ideaal voor een Zweed is een verlaten eiland waar hij (liefst naakt) alleen met de natuur kan zijn. Zweden drinken graag in hun eentje. De meeste Nederlanders gaan daarentegen met vrienden of per toerbus op vakantie. Hun ideaal is de gezellige familieverjaardag. Drinken doen ze in het café. Nederlanders zijn groepsmensen.

Zelf vind ik het basisbestanddeel van het Nederlanderschap het Nederlandse lichaam. Net als zoveel ‘nationale kenmerken’ in zoveel landen is dit niet eeuwenoud, maar vrij nieuw. In de negentiende eeuw waren Nederlanders relatief klein. Vervolgens werden jullie rijker en gezonder, en nu zijn jullie het langste volk ter wereld.

Ik ben 1,73 meter lang (mijn schoolbijnaam was ‘Mini Kuper’) en mede daardoor vermoed ik dat de lengte van moderne Nederlanders hun wereldbeeld beïnvloedt. Lengte is in Nederland zelden een gespreksthema. Semi-bewust weten Nederlanders echter wel dat a. lange mensen meer succes hebben, en b. zij zelf in hun reusachtigheid het succes van de Nederlandse democratie belichamen. Nederlanders zijn groot omdat hun land goed is. Dat feit moet welhaast weerslag hebben op de eigendunk. Een Nederlandse vriend die twee meter lang is vertelde me ooit: „Het geeft me zelfvertrouwen. Ik merk het de weinige keren dat ik iemand tegenkom die nog langer is: je mist iets. Het betekent dat je een soort junior bent binnen de relatie. Het is een primitief gevoel.’

Een primitief zelfvertrouwen begeleidt Nederlanders over de hele wereld. Overal komen ze junioren tegen. En beide partijen merken het. Mijn moeder zei dat ze pas nadat ze Nederland verliet, besefte hoe vermoeiend het was geweest om tien jaar lang tegen mensen op te kijken.

Lengte kan een relatie bepalen, zoals ooit de relatie tussen Amerikaanse GI’s en bezette Japannertjes na de Tweede Wereldoorlog. Toen de Amerikaanse generaal MacArthur zei dat de Japanners wat de moderne beschaving betreft op een twaalfjarige jongen leken, zal het lengteverschil vast door zijn hoofd zijn geschoten. De associatie tussen kleine mensen (‘ukkies’) en kinderen is oeroud.

Landsculturen bestaan, ook al zijn ze veranderlijk. Ik ben echter steeds minder belang aan die landsculturen gaan hechten. Ik heb geen nationale identiteit, en vind dat prima, maar bovendien: ik ben de nationale identiteit van anderen gaan zien als een dunne schil waar je vrij makkelijk door heen prikt.

Dat besef begon te dagen toen ik in 1993 een jaar aan Harvard ging studeren. Het was de eerste multiculturele samenleving die ik ooit had betreden. (Londen, waar ik voorheen woonde, was toen nog niet erg multiculti.) Op de universiteit leerde ik mensen kennen die heel ver van mij waren opgegroeid – in Seattle, Istanbul, Karachi, Perpignan of Toronto. Met de meesten deelde ik geen nationale of etnische identiteit. Maar toch had ik meer met hen gemeen dan met de meesten van mijn klasgenoten in Oegstgeest.

Dat kwam omdat mijn studievrienden en ik andere dingen deelden: taal (iedereen sprak goed Engels), opleidingsniveau, leeftijd, veelal ook sociale klasse en vaak ook een bepaald kosmopolitisme. Bijna allemaal hadden we immers besloten om in het buitenland te studeren. Paspoorten deden er amper toe. Dit waren mijn mensen. In deze kosmopolitische stam wilde ik leven.

Dat heb ik sindsdien ook gedaan. Na Boston trok ik naar Londen, een stad die in de jaren negentig net een soort multicultureel paradijs begon te worden. Later verhuisde ik naar Parijs. Mijn matige school-Frans is de laatste dertien jaar niet veel beter geworden. Ik hoor absoluut niet in Parijs thuis, en mede daarom voel ik me er lekker, want in mijn ziel ben ik een expat.

De meesten van mijn vrienden in Parijs zijn ook expats. Vaak helpt het wel als ze Engels of Nederlands zijn. Dan delen we namelijk een geheimtaaltje: Britse komediesketches van de jaren zeventig of het laatste penaltydrama van Oranje. Maar de enige eis die ik aan mijn vrienden stel, is dat we dezelfde taal vloeiend spreken. Alleen dan kan je echt gevoelens, gedachten en grappen delen. Daarom zijn mijn allerbeste vrienden Nederlandse calvinisten die boven me uittorenen. Ze zullen best een andere ‘cultuur’ hebben dan ik, maar dat maakt niet zoveel uit. We kunnen perfect communiceren. Ik ben geen Nederlander, maar wel Nederlandstalig.

Mijn ervaringscursus ‘identiteit’ is dus lang en verwarrend geweest. Jarenlang kon ik amper uitleggen wat identiteit was. Mijn ‘aha-moment’ beleefde ik pas toen ik het boek Identity and Violence van de Indiase econoom-filosoof en Nobelprijswinnaar Amartya Sen las.

In 1944 had Sen als elfjarige jongen in Dhaka (toen nog Brits India) vreselijke rellen tussen hindoes en moslims beleefd. Een islamitische arbeider, ene Kader Mia, die door sektarische hindoes was neergestoken, bloedde dood in zijn armen.

Sindsdien denkt Sen na over identiteit: wie zijn wij, en waarom kunnen mensen plotseling besluiten dat ze moslims en hindoes zijn, in plaats van bijvoorbeeld mede-Bengalezen, mede-Indiërs, mede-arme sloebers, tijdsgenoten of gewoon medemensen? ‘Wie zijn wij’ is na 9/11 bijna overal een prangende vraag geworden. Het is de vraag die Geert Wilders helder beantwoordt: wij zijn Nederlanders, en zij zijn moslims. Van Wilders mag je maar één identiteit, één paspoort hebben. Zijn denkwijze is een afgeleide van de clash of civilisations theorie van de Amerikaanse politieke wetenschapper Samuel Huntington. Die schilderde de wereld als een stel afzonderlijke beschavingen (moslims, hindoes, christenen enz.) die bijna gedoemd waren tot conflict.

Sen beantwoordt de vraag ‘Wie zijn wij?’ net zo helder als Wilders, maar heel anders. Sen zegt: niemand heeft slechts één identiteit. Je kunt niet zeggen: „Ik ben Nederlander, maar jij bent moslim”. Geen mens is namelijk zo eenvoudig te categoriseren. En als je elke persoon één enkele identiteit probeert te geven, dan zet je mensen bijna automatisch tegen elkaar op. Als je iemand elke dag vertelt dat hij een moslim is die niks gemeen heeft met Nederlanders, dan gaat hij het uiteindelijk misschien geloven.

De waarheid (zegt Sen) is dat elk mens meerdere identiteiten heeft. Eén en dezelfde persoon kan bijvoorbeeld Nederlands zijn, Marokkaans, vrouw, moeder, moslim, Rotterdamse, dertiger, fan van Justin Bieber, winkelbediende en mens.

Zelfs een Wilders-kiezer uit een Limburgs dorp heeft meerdere identiteiten – van klasse, dorp, regio, land, geslacht, religieuze komaf, enzovoort. En die identiteiten veranderen naarmate het dorp groeit, de dorpeling van de kerk afgaat, enzovoort. De dorpeling weet misschien ook nog dat haar grootouders ergens anders vandaan kwamen. Meerdere identiteiten zijn het menselijke lot. Zodra je je bewust wordt van al je identiteiten, ga je je met onverwachte mensen verbonden voelen. Misschien is die Wilders-kiezer ook wel moeder, winkelbediende, dertiger, en Bieber-fan.

Wilders zou wellicht zeggen: ja, maar identiteiten als Bieber-fan of winkelbediende (en zelfs mens) zijn secundair. Wat je in je diepste wezen bent, is je etnische identiteit: Nederlander of moslim, bijvoorbeeld. Ik betwijfel dat echter. Je etnische identiteit is immers grotendeels verzonnen. Vaak kies je haar, of krijg je haar door anderen aangemeten. Denk aan de Amerikanen die nooit in Europa zijn geweest maar zichzelf ‘Iers’ noemen, of aan Nederlanders van Marokkaanse afkomst die hier zelfs door de ambtenarij ‘Marokkanen’ worden genoemd. Ta-Nehisi Coates, de ‘zwarte’ Amerikaanse auteur, heeft het in zijn nieuwe boek Between the World and Me terecht niet over blanken maar over ‘Amerikanen die geloven dat ze blank zijn’. De maatschappij verzint allemaal categorieën en gooit je graag in één daarvan. Die categorieën veranderen ook steeds. Vroeger was je misschien Limburger of katholiek, later Europeaan, en nu Nederlander.

Wie zijn wij? Wilders zegt: iedereen heeft één identiteit. Sen zegt: we zijn van alles wat. Ik vind Sen overtuigender.

Maar als ik zelf moet zeggen wie ik ben, dan val ik terug op de Pools-Litouwse schrijver Czeslaw Milosz. In ballingschap in de VS schreef hij: „Taal is het enige thuisland.”

    • Simon Kuper