Suggestief wit verfgeweld

Een ambitieuze dubbeltentoonstelling maakt duidelijk hoe de romantische Engelse schilder William Turner zich ontwikkelde, wie hem inspireerden en wie hij inspireerde.

Twee middelgrote Nederlandse musea hebben met vereende krachten iets tot stand gebracht dat normaal gesproken alleen in een groot museum kan. Vanaf vandaag presenteren Museum De Fundatie in Zwolle en het Rijksmuseum Twenthe in Enschede een dubbeltentoonstelling rondom het werk van de Engelse landschapschilder Joseph Mallord William Turner (1775-1851). Belangrijkste bruikleengever is de Tate Britain in Londen, die een grote collectie Turners bezit uit de nalatenschap van de kunstenaar. Met de Tate achter zich konden Zwolle en Enschede ook Turners lenen uit andere buitenlandse musea. Ze kregen een representatieve dwarsdoorsnede van zijn oeuvre bij elkaar: vroeg en laat werk, kleine schetsjes en imposante salonstukken.

Maar dan nog was een echt Turner-overzicht te hoog gegrepen. Zo’n monografische tentoonstelling is voor kleine musea te ingewikkeld om te organiseren en vooral te begrotelijk. Daarom zijn de Turners hier ingebed in een tentoonstelling over ‘de traditie van het sublieme’, met werk van voorlopers, navolgers en hedendaagse geestverwanten.

De reikwijdte is flink. In Enschede hangt Turners grote Thomson’s Aeolian Harp (ca. 1809) naast een vergelijkbaar arcadisch landschap van zijn zeventiende-eeuwse voorbeeld Claude Lorrain; in Zwolle zijn (onder veel meer) zes oplichtende collages te zien van de Japanner Hiroyuki Masuyama, die schilderijen van Turner op de computer nabouwt met fotografisch materiaal. Ze krijgen daardoor iets met games en fantasyfilms te maken.

Het lijkt een concessie, en dat is het misschien ook wel, maar in beide musea pakken de combinaties erg mooi uit. Door de betrekkelijke ongedateerdheid van Turners landschappen – met zijn bijna-abstracte atmosferen in olie- en waterverf was hij zijn tijd soms ver vooruit – houdt zijn werk het opvallend goed naast de kunst van eerder en later.

En door de afwisseling maakt Turner steeds weer indruk, terwijl je in de Tate Britain soms wat vermoeid raakt van de ene zaal vol mistige lege landschappen na de andere. Je moet van Turner misschien niet al te veel werk ineens zien.

De samenstellers hebben gedurfde, visueel sterke ensembles gemaakt, dwars door de kunstgeschiedenis heen en met zowel grote namen als kleine ontdekkingen. Op een wand in Zwolle wordt een vulkaanuitbarsting van Turner geflankeerd door twee zeventiende-eeuwse schilderijen van branden bij nacht, een modern stadsgezicht vol explosies van Olphaert den Otter en een gloeiend schilderijtje van de tornado bij Borculo (1925) door Jan Voerman. Diens Borculo-serie is inderdaad verwant aan Turners vurige landschappen: dat had ik me niet eerder gerealiseerd.

Dat de Vlaamse expressionist Constant Permeke zich rechtstreeks door Turner liet inspireren was me ook niet bekend, maar nu zijn Oogst (1917) in Enschede naast Turners Scene in Derbyshire (ca. 1827) hangt, is het in één oogopslag duidelijk. Beide schilders hebben links een grote bebladerde boom als een donker, rond volume uitgespeeld tegen een lichte lucht; rechts ligt onder die heiige hemel in beide composities een glooiend landschap. Verhelderend beeldrijm.

In Zwolle is er een mooie zaal vol geschilderd, getekend en zelfs gebeeldhouwd water. Opspattende golven zoals de jonge Turner ze omstreeks 1802 schilderde in een zeegezicht met vissersboten zijn te vergelijken met de veel wildere schuimkoppen in zijn late Stormy Sea with Blazing Wreck. Het scheepswrak uit de titel is een nauwelijks zichtbaar visgraatje dat ten onder gaat in suggestief wit verfgeweld. En schuin tegenover die twee Turners hangt dan Raquel Maulwurfs houtskooltekening Black Sea II (2011). Een woeste zee bij nacht, met schuimkoppen van uitgespaard wit papier, dat plaatselijk ook nog eens is open gepulkt zodat er kleine papieren druppeltjes door de golven dansen. De grote tekening rijmt weer prachtig met een 3D-geprinte zwarte waterval (2014) van Eyal Gever. In dezelfde zaal is er ook nog zeewater te zien van zulke verschillende schilders als Gustave Courbet, Hendrik Willem Mesdag en Kees van Bohemen.

Natuurlijk zijn alle elementen en thema’s, door de eeuwen heen verbeeld in allerlei technieken, aan elkaar te praten in een catalogus en in zaalteksten. Dat doen de tentoonstellingsmakers ook.

Maar hun grootste verdienste is dat ze de zalen en kabinetten zo hebben ingericht dat je ook zónder verdere uitleg meteen snapt dat al deze kunstenaars directe of verre familie zijn, van Turner en van elkaar. Aandachtig kijken is genoeg. Kijken naar zorgvuldig samengestelde groepjes kunstwerken, waarin veel verrast en niets echt uit de toon valt. Ze worden er allemaal beter van.