Kunstontwikkeling verliep anders

Illustraties Cyprian Koscielniak

Robbert Dijkgraaf bepleit (29/8) voor de kunsten een model dat enigszins verwant is aan dat van de wetenschappen (tijdens de industrialisatie van de 19e eeuw bouwde de wetenschap een imposante infrastructuur van universiteiten), maar negeert de opkomst van het Modernisme rond 1900, met een voorkeur voor primitivisme en vernieuwing. Hierdoor werd men, in tegenstelling tot de wetenschappen, afkerig van scholing en traditie. De kunstopleidingen moesten kiezen tussen scholing of geen scholing, terwijl ze toch wel wilden blijven bestaan. Ook bij de muziek en podiumkunsten was het geen lineair proces, gezien de Actie Notenkraker en de Actie Tomaat van 1969.

Robbert Dijkgraafs advies om zich te verenigen mag misschien voor de podiumkunsten gelden, voor de beeldende kunsten werkt dat niet. De meeste kunstenaars zijn Einzelgänger, die hun talent door een speling van de natuur hebben meegekregen, terwijl dat in een bredere context zelden wordt herkend. Verhelderend was een artikel in NRC waarin Margriet van der Heijden een beeld gaf van het creatieve proces in de wis- en natuurkunde. Ze schrijft dat de meeste grote ontdekkingen (weer) door ‘Einzelgänger’ in tijden van ontspanning worden gedaan en dat sommige instituten (Princeton) daarvoor een ‘geleerde’ en rustige omgeving hebben geschapen in de hoop dat ontdekkingen niet door ongunstige omstandigheden worden tegengewerkt. Misschien dat Dijkgraaf dat bedoelt. Maar zo’n context kennen we in de beeldende kunsten niet. Zo moet zijn boodschap wat die sector betreft met een flinke korrel zout genomen worden, behalve zijn allerlaatste zin.

Voormalig docent aan de Koninklijke Academie Den Haag.