Referendum is een peiling, niet minder en ook niet meer

Sinds 1 juli van dit jaar kent Nederland het raadplegend referendum. Dat is mogelijk gemaakt via een initiatiefwetsvoorstel van PvdA, D66 en GroenLinks. Dit werd in 2013 aanvaard door de Tweede Kamer en vorig jaar door de Eerste Kamer. VVD, CDA, ChristenUnie en SGP verzetten zich in het parlement, maar zij vormden een minderheid.

Enkele organisaties, die zich hebben verenigd onder de noemer GeenPeil, hebben nu gebruikgemaakt van hun wettelijk recht om een referendum aan te vragen. Zij zijn het oneens met het associatieverdrag dat de Europese Unie vorig jaar met Oekraïne sloot. Dat verdrag werd vorig jaar zowel door de Tweede als de Eerste Kamer goedgekeurd, met de stemmen van SP, PVV en Partij voor de Dieren tegen, maar is nog niet in werking getreden.

Of het referendum er komt, hangt af van de vraag of GeenPeil erin slaagt uiterlijk 28 september de benodigde 300.000 ondertekende formulieren bij de Kiesraad te bezorgen.

De initiatiefnemers van het wetsvoorstel over het referendum willen nog een stap verder gaan. Nu gaat het nu nog om een raadplegend referendum dat regering en parlement niet aan de uitkomst bindt. Maar PvdA, D66 en GroenLinks willen een correctief referendum invoeren, ter vervanging van het raadplegend referendum, dat ‘Den Haag’ verplicht zich aan de uitslag te conformeren. De kans dat dit type referendum er ook komt, is klein. Weliswaar is ook dit voorstel in eerste instantie door Tweede en Eerste Kamer aangenomen, maar omdat het om een wijziging van de Grondwet gaat, is er in tweede instantie een tweederde meerderheid in beide Kamers voor nodig. De tegenstanders, VVD, CDA, ChristenUnie en SGP, beschikken in de Eerste Kamer over 30 van de 75 zetels.

Bij het eventuele referendum over het EU-verdrag met Oekraïne valt de nadruk dus op het voorafgaande bijvoeglijk naamwoord: raadgevend. Het is pas geldig bij een opkomst van ten minste 30 procent van de kiezers. Wordt deze opkomstdrempel niet gehaald, dan hoeft de regering geen actie te ondernemen; in het andere geval moet zij zich beraden of ze de wet waarmee het verdrag werd goedgekeurd, al dan niet handhaaft. In theorie is dat laatste dus al mogelijk als 16 procent van de kiezers zich tegen het verdrag met Oekraïne uitspreekt. Dat stelt voorstanders van het verdrag voor een strategisch dilemma: ze kunnen bij het referendum tegen het voorstel van GeenPeil stemmen, maar dragen zo wel bij aan de opkomst en dus aan de kans dat ze het pleit verliezen. Dus kunnen ze er ook voor kiezen om níét op te komen.

Het raadplegend referendum geeft de burgers meer invloed, en uiteraard met name degenen die invloed wensen. Het voorziet zo in een behoefte. Naarmate de opkomst hoger is en de uitslag duidelijker zullen regering en parlement zich vermoedelijk meer geroepen voelen zich iets van het referendum aan te trekken. Maar in alle gevallen blijft gelden dat de volksvertegenwoordigers bij algemene verkiezingen het mandaat hebben gekregen om wetten en verdragen via meerderheidsvorming in het parlement aan te nemen. De Grondwet verplicht Kamerleden om „zonder last” te stemmen. Ze mogen „niet in opdracht van anderen” besluiten nemen.

Dat is een reden te meer voor de parlementariërs om de uitslag van het referendum, feitelijk een bij wet geregelde opiniepeiling, als een advies te beschouwen, niet meer en niet minder. Hoe zwaar ze dat advies laten wegen, is alleen hún verantwoordelijkheid. En dus hebben ze de mogelijkheid om te handelen tegen de uitslag van het raadgevend referendum in.