Man op krukken wijst weg naar westen

De in Boedapest gestrande asielzoekers hebben geen vertrouwen in het gezag. Ze nemen hun lot in eigen hand.

Uit wantrouwen in de autoriteiten, gingen duizenden migranten te voet over de snelweg richting Oostenrijk. De Hongaarse regering zwichtte later en bood bussen aan om hen naar de grens te vervoeren. Foto AP/Frank Augstein

Voorop loopt een man met een kruk. Zijn stijve rechterbeen bepaalt het tempo. Achter hem de massa: Syriërs, Bengali’s, Pakistanen, Irakezen, vrouwen, mannen, meisjes, jongens. Zijn ze met duizend, twee- of drieduizend? Het is moeilijk in te schatten te midden van de stroom die zich voortbeweegt over de autosnelweg tussen Boedapest en Wenen.

De mars van de migranten richting Oostenrijk begint enkele uren eerder bij het Ooststation in Boedapest. Met megafoon in de hand benen mannen door de ondergrondse gangen naar de metro. Daar zitten enkele duizenden vast, omdat ze niet op internationale treinen naar West-Europa kunnen.

Een dag eerder waren honderden mensen, die dachten op een trein naar Oostenrijk te stappen, onverwacht gestrand op het station van Bicske. De politie had hen daar tegengehouden en naar een nabijgelegen vluchtelingenkamp willen escorteren. De meesten weigerden mee te gaan en trokken zich terug in de trein. Dat nieuws uit Bicske verspreidde zich vlug onder de migranten die in de gangen bij het Ooststation kampeerden. Dus kunnen de mannen met de megafoons deze mensen vrijdag mobiliseren voor een surrealistische onderneming: als de spoorwegen ons niet naar Oostenrijk wilden brengen, gaan we wel te voet.

Veel overtuigingskracht hebben ze niet nodig. Even na de middag baant een menigte zich een weg door het centrum van de stad richting de autosnelweg, de avondspits naar het westen in hun kielzog. „Meneer Orbán (premier), laat het Syrische volk gaan!”, schreeuwt een man met een rood t-shirt door zijn megafoon voor ze de Donau overtrekken.

Iets meer dan twee uur later is de groep al bij Budaörs, tien kilometer verder. Abd, een 18-jarige Syriër, neemt er water aan van enkele Hongaarse vrijwilligsters. Een achternaam wil hij niet geven, zijn eindbestemming wel: Nederland. „Duitsland zit al vol. In Nederland wil ik mijn studie computerwetenschappen afmaken”, zegt hij. “In Syrië haalde ik de negende plaats op een algemeen examen.”

Abd en zijn reisgezellen waren niet de enigen die vrijdag het heft in eigen handen namen. Door heel Hongarije kwamen gestrande migranten in opstand. In het zuiden ontsnapten driehonderd vluchtelingen uit een tentenkamp in het grensdorp Röszke. En op dertig kilometer van Budaörs, in het station van Bicske, braken 350 mensen door het politiekordon rond de trein waarin ze zich eerder verschanst hadden. Volgens de autoriteiten kwam daarbij een man om het leven nadat hij in elkaar zakte op het spoor.

„Deze mensen weten niet wat met hen gebeuren zou”, zegt Zsuzsanna Zsohár van hulporganisatie Migration Aid in het station. „Bicske is een open kamp waar ze een bed en douche zouden krijgen en na twee of drie dagen alweer weg kunnen. Dan kunnen ze zich vrij bewegen binnen Hongarije.” Zsohár stapt in de richting van de goederentrein die grotendeels het zicht beneemt op de trein waarin de migranten zitten. In doventaal maakt ze een jongen op de trein duidelijk dat het kamp geen gevangenis zal zijn.

Even na zessen geven de passagiers, die achtergebleven zijn op de trein, gehoor aan de oproepen om hun plek toch maar te verlaten. Omringd door agenten van de oproerpolitie in volle uitrusting, stappen ze in groepjes in de bussen die hen naar het vluchtelingenkamp zullen brengen. Achter de ramen van de bus zwaaien kinderen gelaten naar de televisiecamera’s.

Ook de mars over de snelweg komt die middag dicht in de buurt van Bicske. De wandelaars denken te weten wat daar gebeurt. „Hongaarse politie: heel slecht” zegt Mohammad, een Syrische jongen die even uitrust op een vangrail.

Ook Abd bekent een beetje bang te zijn voor de politie die hen escorteert met auto’s en motors. „Ik hoop dat ze ons niet naar een kamp sturen.” Dat zal wel niet, denkt hij. „Binnen twee dagen zijn we in Oostenrijk!”