Kunnen we nog wel voetballen?

De wanprestaties van Oranje zeggen meer over de staat van het Nederlands voetbal dan de succesvolle WK’s. Wie keert de negatieve tendens? Na Arjen Robben is het stil.

De Oranje-internationals die niet of weinig speelden in de verloren interland tegen IJsland trainden vrijdagmiddag onder leiding van inspanningsfysioloog Luc van Agt, voor de vlucht naar Turkije. Foto Remko de Waal/ANP

Afgelopen maandag, eind van de middag. De eerste persconferentie van bondscoach Danny Blind is afgelopen op het sportcomplex van Quick Boys in Katwijk, waar Oranje steevast traint voor interlands. Buiten trekken de buien over, de training van de jeugdelftallen van Quick Boys is net begonnen en daar doet zich het meest Hollandse der voetbaltaferelen voor. Kunstgrasveld, pilonnen die een vierkant vormen. Drie trainers er omheen, een dozijn ventjes aan de bal. Passen en aannemen, passen en aannemen. „Keurig”, zegt een trainer.

Pak de teamfoto erbij en huiver: acht trainers voor de gecombineerde D1 en D2 van Quick Boys. Niets mis met de grassroots van het Nederlands voetbal, waar geen talent verloren gaat. Iedereen weet hoe goed hij is, wie er niks van kan en wie kan uitgroeien tot profvoetballer of in het zeldzame geval tot Oranje-international, zoals Dirk Kuijt die uit Katwijk komt.

De voetbalinfrastructuur van Nederland kent zijn gelijke niet, zegt bijvoorbeeld Louis van Gaal steevast. Waar gaat het dan fout? Nu Oranje zich diep in de problemen heeft geworsteld in de EK-kwalificatiepoule kan zomaar geschieden wat die tienjarige jongetjes van Quick Boys nooit meemaakten: het Nederlands elftal dat een eindtoernooi mist. De schande die dat over de voetbalnatie zou brengen is groter dan ooit, immers nog nooit zoveel landen mochten meedoen aan een EK. De KNVB moet UEFA-voorzitter Michel Platini op de blote knieën danken voor het uitbreiden van het EK tot een onzalige hoeveelheid van 24 landen. Alleen daarom maken we nog kans.

Kunnen we dan niet meer voetballen? Eenduidig is het probleem niet, de oplossing al helemaal niet. De WK-prestaties (tweede in 2010, derde in 2014) blijken oprispingen te zijn geweest van supertalenten die ondersteund werden door een ‘on-Nederlands’ sober defensief blok. Maar het trio dat nog over is, Wesley Sneijder, Arjen Robben en Robin van Persie, vervaagt. Sprankelen doet Nederland nog maar sporadisch, zoals in de openingswedstrijd op het WK tegen Spanje (5-1).

De toplaag is te smal, dat is duidelijk. Maar hoe komt dat? 1,2 miljoen geregistreerde spelers telt de KNVB, 13 procent van de mannelijke bevolking voetbalt en ruim vier op de tien jongens tussen negen en zestien jaar zit op voetbal. Van de grotere voetballanden scoort alleen Duitsland hoger. Geen talent blijft ongezien.

Crisis

Intussen stevent het Nederlands voetbal af op een crisis. Nu eens niet alleen de eredivisieclubs, die schutteren in Europees verband, ook het niveau van Nederlandse (top)spelers heeft zijn piek gehad. En dat raakt Oranje.

Een verband leggen tussen een kwijnend Nederlands elftal en de status van de eredivisie doet geforceerd aan. Maar er zijn wel een aantal parallelle fenomenen, schetste Jelle Goes, technisch manager van de KNVB en verantwoordelijk voor de nationale jeugdelftallen, in december vorig jaar op het symposium over de toekomst van het Nederlands voetbal. De sterkte van de clubs waar de Nederlandse internationals onder contract staan, is tanend. Dat niet alleen: ook het niveau van de buitenlands clubs waar spelers vanuit de eredivisie naar toe gaan is de afgelopen acht jaar gedaald. Gevolg van het fenomeen van de vroege transfer: weg uit Nederland, dan maar naar mindere clubs. Bijna altijd voor het geld.

Guus Hiddink, bondscoach het afgelopen interlandjaar, bracht vaak de kwaliteit van de jonge spelers ter sprake als hij even voorbij ging aan de acute crisis die de nederlagen van zijn Oranje veroorzaakten. Meer weerstand, minder naïviteit. Hollandse School plus, noemde hij dat. In een wirwar van oorzaak en gevolg kwam die boodschap op dat moment potsierlijk over. Maar hij had gelijk.

De rest van de wereld ontwikkelt zich tactisch tot het niveau van Nederland, die voorsprong slinkt. Neem de vader van een talent die op jonge leeftijd vertrok naar Engeland. „Technisch en tactisch ben je op je achttiende uitgeleerd in Nederland. Je wilt weerstand opbouwen.” En daarvoor moet je dus, vond hij, naar Engeland. Niet alleen om het geld.

Het is verleidelijk om te spieken bij de Belgen, ongeveer net zo’n kleine competitie en nu internationaal bulkend van de kwaliteit. Nog niet heel lang geleden waren de Rode Duivels sportief failliet. Inmiddels is het het op twee na duurste nationale elftal ter wereld (gemeten in officieuze marktwaarde per speler) en bezet België de tweede plek op de FIFA-ranglijst. Sterspelers komen zowat op afroep. Deze zomer werd de duurste speler ooit uit de Lage Landen een Belg: Kevin De Bruyne.

„Maar het is ook in hoge mate een kwestie van cycli, ik zou niet alles meteen linken aan de filosofie of de organisatie van jullie voetbal”, zegt Jean Kindermans, die als hoofd jeugdopleiding bij Anderlecht het succes van het Belgisch voetbal hielp vormgeven. „Ik kan de dip van jullie nationale ploeg moeilijk verklaren, maar jullie hebben nog steeds spelers die internationaal hun stempel drukken.”

Het geheim van de Belgen is niet alleen een wonderlijk toeval van een bijzondere generatie. Het masterplan van de Belgische bond, dat na teleurstellende toernooien eind vorige eeuw is opgesteld, bracht structuur aan waar chaos heerste in het meertalige voetballand. De blauwdruk voor jeugdopleidingen in België introduceerde vanaf de eeuwwisseling vooral de basisbeginselen die in Nederland al decennia tot de bedrijfsvoering horen: 4-3-3 als spelsysteem, balbezit is in de jeugd heilig verklaard, de prestatie van het team secundair. Hollandser kan het niet.

Gechargeerd gesteld: alles wat Nederland voor had op België, maar ook op het kwakkelende Duitsland rond de eeuwwisseling, is inmiddels geëvenaard door de buurlanden. Waar zit voor Nederland dan nu de ruimte voor verbetering? „Vooropgesteld vind ik dat iedereen van iedereen kan leren”, zegt Kindermans. „Maar het zou bijzonder arrogant zijn om nu Nederland te gaan uitleggen wat jullie anders moeten doen. Ik ben nog steeds, jaloers op de structuur in de jeugdopleidingen bij jullie en op de organisatie van toernooien en competities.”

Van Gaal

Precies wat Van Gaal ook vindt. In zijn laatste interview als bondscoach van Oranje sprak hij twee maanden voor het WK over de toekomst van het Nederlands voetbal. Hij zag het niet zo somber in als ‘de media’ en sprak over „tendensen”. Over de kwaliteit van Nederlandse spelers maakte hij zich geen zorgen. „Wij zijn niet makkelijk in te halen. Ieder dorp heeft een accommodatie, dat heeft bijna geen enkel ander land. Duitsland wel, daarom zijn ze nu top. Die hebben van ons in technisch en tactisch opzicht veel overgenomen. De Duitse bond liep in mijn tijd bij Ajax [als technisch-directeur] rond.”

En zo wordt iedereen wijzer, ook de concurrentie. Maar kennisdeling hoort erbij, vindt Van Gaal. Grethar Steinsson, de IJslandse voormalige rechtsback van AZ, schoof aan tijdens het gesprek dat deze krant had met Van Gaal in Zeist. Steinsson was op stage bij de KNVB, in de leer voor het vak van technisch directeur. Was dat wel zo handig, aangezien we de komende EK-kwalificatiepoule bij IJsland ingedeeld waren? Van Gaal: „Dat maakt mij niets uit. Wij hebben een voorsprong. Je moet zorgen dat je die handhaaft of verbetert. Je moet vernieuwen.”

Nu dan, afgelopen donderdag, 3 september 2015, verloor Oranje voor de tweede keer van IJsland, ditmaal in de eigen Amsterdam Arena. Veelzeggend: de makkelijke provocatie die Bruno Martins Indi op rood kwam te staan, de naïeve sliding van rechtsback Gregory van der Wiel, met een strafschop tot gevolg. Maar misschien wel het meest fnuikende was dat bondscoach Danny Blind, die bij de KNVB gezien wordt als de man met het beste overzicht over wat Nederland te bieden heeft, bij de vraag naar een ‘nieuwe type Arjen Robben’ niet verder kwam dan Steven Berghuis. Die ging deze zomer van AZ naar FC Watford. In de bodem van de Premier League en niet eens in de basis.