Hier wil ik niet bijhoren

Theodore Dalrymple is dan wel Brits, maar hij voelt zich zelden Brits.

De kwestie van onze identiteit is gevaarlijk, maar ook ergerlijk. Gevaarlijk omdat ze ons zo gemakkelijk tot haat of minachting jegens anderen kan aanzetten. En ergerlijk omdat het vraagstuk zo ingewikkeld en onoplosbaar is.

Moderne filosofen hebben zelfs twijfel weten te wekken aan het bestaan van een persoonlijke identiteit – al houden ze meestal wel vast aan het auteursrecht op hun werk. Een groepsidentiteit zou dan bijna helemaal onbestaanbaar zijn.

Toch weten wij allen dat een persoonlijke en collectieve identiteit wel degelijk bestaat, al denken we daar de meeste tijd niet over na. We leiden ons dagelijks leven zonder ons af te vragen wie we nu écht zijn – we zijn zelfs het gelukkigst als we niet bij onze identiteit stil staan. Het is belangrijker om onszelf te verliezen dan om onszelf te vinden.

Pas als er conflicten en problemen ontstaan, pas dan vragen we ons af bij welke groep onze diepste loyaliteit ligt - of zou moeten liggen. Dan vinden we dat er een subsidiariteitsbeginsel dient te zijn: aspect a van onze identiteit gaat boven aspect b, dat op zijn beurt boven aspect c gaat, enzovoort.

Maar zo eenvoudig ligt het niet. Welk aspect van onze identiteit voorop hoort te staan, hangt af van de situatie en wat er aan de orde is. Onder artsen op een internationaal congres ben ik bijvoorbeeld in de eerste plaats arts, waar de andere artsen ook vandaan mogen komen. Ons gezamenlijk beroep garandeert een wederzijds begrip, ook als de volkeren waartoe we behoren elkaar vijandig gezind zijn.

Over het algemeen moeten we beducht zijn voor mensen die eisen dat we een eenvormige, alomvattende identiteit bezitten, welke alle andere uitsluit en welke nooit mag wijken voor een andere overweging. Deze mensen zijn even gevaarlijk als de man van dat ene boek of idee, en vaak zijn ze zelfs één en dezelfde persoon.

Alle identiteiten worden gevoeld in tegenstelling met degenen die ze niet delen. Daarom is het lidmaatschap van het menselijk ras niet zozeer een identiteit, behalve misschien in de strijd tegen bacteriën of andere ziekteverwekkers. Maar een gemeenschappelijk identiteit zou sterker worden als de aarde zou worden aangevallen door overheersende buitenaardse wezens die ons allemaal onderdrukten. Meestal leeft onze nationale identiteit niet zo bij ons, maar in bepaalde omstandigheden kan ze heel sterk worden.

Hoewel ik heel Brits bén, vóél ik me de meeste tijd niet zo Brits. Al wordt dat gevoel soms wel degelijk versterkt. Zo was ik ruim twintig jaar geleden in Albanië. De nieuwe machthebber na de val van het communisme was Sali Berisha, een cardioloog die zichzelf tot Westers democraat had uitgeroepen.

Op een ochtend hielden de communisten een betoging tegen de regering op het centrale plein van Tirana. De politie, die een paar jaar eerder nog de anti-communisten zou hebben afgetuigd, zo niet gemarteld en vermoord, sloeg nu de communisten in elkaar. Ik maakte foto’s van dit stichtelijke schouwspel toen ik opeens door twee agenten werd vastgepakt en achter in een politiebusje werd gegooid, samen met drie Albanezen die het gedrag van de politie ook hadden gezien.

Als een soort spoedgeval werden we met hoge snelheid afgevoerd naar een afgelegen politiebureau. Op het bureau werden we met een paar klappen van een wapenstok de cel in gedreven: mijn identiteit als journalist kwam goed van pas, want zelfs toen die klappen vielen, was mijn gedachte niet ‘Wat doet dat pijn’, maar ‘Hoe ga ik dit opschrijven?’

Eenmaal in de cel hoorden we een zwaar afgetuigde medegevangene schreeuwen van de pijn en meteen barstten de drie Albanezen met wie ik was opgesloten uit in een gejammer zoals vrouwen bij een begrafenis in het Midden-Oosten. Gelukkig sprak een van de Albanezen vloeiend Engels en ik zei tegen hem: „Zeg, jullie moeten hiermee ophouden, anders nemen ze ons allemaal te pakken. Van nu af aan zijn jullie geen Albanezen meer, maar Britten. Mond dicht en een stiff upper lip. Zeg dat ook maar tegen die anderen.”

Hij vertaalde dit en vreemd genoeg werkte het. Ze hielden op met hun gejammer en we werden niet in elkaar geslagen. Gelukkig had ik de avond ervoor met een minister gegeten en een vriend die mijn arrestatie had gezien, stelde hem op de hoogte. Ik zal nooit de diepe buiging vergeten waarmee de agent die me met zijn wapenstok had geslagen mij vrijliet, met zijn hand op zijn hart, een gebaar dat ik sindsdien verafschuw. Hij keek me doodsbenauwd in mijn ogen en wist dat ik nu zijn lot in handen had.

Ik was trots omdat ik Brits was geweest. Lang heeft dat echter niet geduurd. Ik hoefde maar mijn landgenoten in het buitenland te zien, op een vliegveld of in een vakantieoord – dik, dronken, getatoeëerd en stuitend lelijk – om me te schamen en meer gemeen te voelen met de ober die door hen werd afgebekt dan met die mensen met wie ik zogenaamd zo veel deelde vanwege mijn nationaliteit.

    • Theodore Dalrymple