Hebbes, de bron van de VN

Ik volgde een gesprek op twitter over ‘omgekeerd racisme.’ Een twitteraar met een inheemse achternaam wilde het daar over hebben. Een voorbeeld graag, vroeg een twitteraar met een uitheemse achternaam.

‘Dat je als ‘witte’ wordt geweerd uit een ‘zwarte’ club, bijvoorbeeld?’

‘Dat gebeurt niet in Nederland.’

‘Nee maar stél’.

‘Als het niet gebeurt heeft het geen zin erover te praten.’

Toen linkte iemand een bericht uit de Haagse pers over ‘witte’ clubbezoekers – testagenten van de discriminatiebestrijding! – die door de portier van een ‘zwarte’ club geweigerd én gemolesteerd waren. Als dat geen ‘zwart racisme’ is, hoe moeten wij dat dan wél noemen, vroeg Inheemse Achternaam.

‘Dus zwarten hebben na eeuwen racisme geen recht hun eigen clubs te beginnen?’

Het ging maar door, de ene non sequitur na de andere. Het leek wel balletje-balletje. (Oké, ik heb goed opgelet, en het balletje ligt nu hier. Nee dus.) Tenslotte moest Inheemse Achternaam het opgeven: ‘Ik ga nu maar even met mijn hoofd tegen de muur bonken.’

Als mensen weten dat zij elkaars taal niet spreken valt het gesprek al gauw vanzelf stil, maar dit tafereel was anders: hier zag je twee partijen uit volle borst discussiëren, in schijnbaar dezelfde taal, maar zonder enig contact. Als vogels die tegen elkaar opvliegen, aan weerszijden van een glaswand.

Ik had laatst een soortgelijke ervaring.

‘Describing black people as neger („negro”) is common practice in the Netherlands, including by politicians and government officials’ schrijft historicus Zihni Özdil in een artikel op www.academia.eu. Tja, het zou in elk geval de toon van dat VN-rapport over racisme in Nederland kunnen verklaren: hoeveel van dit soort stukken hebben zij gelezen? Het woord ‘neger’ is in Nederland niet zo taboe als ‘negro’ in de VS, maar het is geen ‘algemeen gebruik’, en zeker niet bij overheidsdiensten en politici. Ook Geert Wilders, bijvoorbeeld, spreekt van ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen. ‘Describing people as ‘neger’ is not what I would call common practice in The Netherlands’, twitterde ik als goede vaderlander.

‘Haha, sneu hoor,’ twitterde Seada Nourhussen, zij is redacteur bij dagblad Trouw.

‘Je houding is gewoon hypocrisie of intellectuele luiheid,’ vond Quinsy Gario, hij is dichter, kunstenaar en activist.

Özdil, promovendus aan de Erasmus, noemde me een ‘charlatan’. ‘Maar we blijven van je houden, je bent schattig.’

Het schoolplein-gehalte liep nog verder op toen Ebisse Rouw, redacteur bij Amsterdam University Press, en Nourhussen, kennelijk bevriend, stelden dat ik slechts met ze discussieerde uit – zit u goed? – amoureuze bijbedoelingen.

Nourhussen: ‘Het is hartenleed.’

Rouw: ‘Is dat het? Meisjes plagen, zoentjes vragen?’

Nourhussen: ‘Go easy on the poor guy.’

Ik moest denken aan die twee tokkie-meisjes in Toren C, die van elke man in de lift aannemen dat hij onder hun rokje wil kijken.

Wat gebeurt hier, vroeg ik mij af, ik praat met ontwikkelde, aangepaste (?), goed geïnformeerde mensen – hoe kan het dat er niets wordt gezegd over wat ik denk, en uitsluitend over wat ik bén? (Te weten een sneue, luie, hypocriete, intellectueel ondermaatse, vieze oude charlatan.)

Ik zie maar één verklaring. Zo hadden zij mijn opmerking óók opgevat: niet als commentaar op wat zij denken, maar op wat zij zijn. Mijn opmerking kwam neer op een beschimping, en ik werd met gepaste munt terugbetaald.

Ziedaar het gevaar van identity politics. De politiek van wat je bent, in plaats van wat je vindt. Identiteit als wapen, als alibi voor haat. Hoe durf jij het oneens te zijn met wat ik ben? De taal verkruimelt. Wat rest is het ‘wij’ van de F-side. Het dunne wij. Maar zoals Ta-Nehisi Coates schrijft in Between the World and Me: er ís geen Dostojevski van de Zulu’s. De Dostojevski van de Zulu’s is Dostojevski.

    • Jan Kuitenbrouwer