Haar waanzin ismijn waanzin

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een voorpublicatie uit Jij zegt het, de nieuwe roman van Connie Palmen.

Voor de meeste mensen bestaan wij alleen in een boek, mijn bruid en ik. De afgelopen vijfendertig jaar heb ik met een machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe persoonlijkheden werden vervangen door clichématige personages, vernauwd tot simpele imago’s, op maat gesneden voor een sensatiebelust lezerspubliek.

En dan was zij de broze heilige, ik de brute verrader.

Ik heb gezwegen.

Tot nu.

Ze had iets van een godsdienstfanaticus, dat jakkerende verlangen naar een hogere vorm van zuiverheid, de heilige en gewelddadige bereidheid zichzelf – haar oude, valse zelf – op te offeren, te vermoorden, zodat ze opnieuw geboren kon worden, schoon, vrij, en bovenal echt.

In de zeven jaar die we samen doorbrachten heb ik haar nooit bij iemand – ook bij onze kinderen niet – gezien zoals ze was, zoals ik haar kende, de vrouw met wie ik leefde, de vrouw die me stampend als een tochtige merrie tot bloedens toe in mijn wang beet bij onze eerste ontmoeting.

We omhelsden elkaar niet, we vielen elkaar aan.

Briesend – van genot, van vreugde – rukte ik de rode haarband van haar hoofd, trok de zilveren oorringen van haar lellen, het liefst had ik haar jurk in flarden gescheurd, haar ontbloot van al die parafernalia van fatsoen, volgzaamheid en beschaving, van onechtheid.

Het was wreed, het deed pijn.

Het was echt.

We maakten elkaar buit.

Nog geen vier maanden later ben ik met haar getrouwd.

Van een vrouw die je bijt in plaats van kust, had ik moeten weten dat iemand liefhebben voor haar gelijkstond aan iemand bevechten. Van mezelf had ik moeten weten dat ik met het stelen van de sieraden alleen haar opsmuk had weggerukt en als trofeeën bij me had gestoken. Wie zo een liefde begint, weet dat er in het hart van die lief-de geweld en vernietiging schuilgaat. Tot de dood erop volgt. Van meet af aan was het gedaan met een van ons.

Het was zij of ik.

In het verslindende geweld dat liefde heet, had ik mijn gelijke gevonden.

Ik hield van haar, ik ben altijd van haar blijven houden. Als haar zelfmoord de val was waarin ze mij wilde vangen om mij te verzwelgen, in zich op te nemen, één lichaam te worden, is haar dat gelukt. Een bruidegom gegijzeld door de dood, voor eeuwig aan zijn bruid verbonden in een postuum huwelijk, zo onafscheidelijk als zij wilde dat ik van haar was.

Haar naam is mijn naam.

Haar dood is mijn dood.

Ik geloof in zoiets als een echt zelf en ik weet hoe zeldzaam het is om het te horen spreken, om het bevrijd te zien worden uit die cocon van valsheid en onbeduidendheid, de schijngestalten die we aan anderen presenteren om bij hen in de smaak te vallen, ze te misleiden. Hoe gevaarlijker het echte zelf, hoe geraffineerder de maskers. Hoe bijtender het gif dat we het liefst over anderen zouden spugen – om ze te verlammen, te doden – hoe zoeter de nectar waarmee we hen verlokken naar ons toe te komen, in onze nabijheid te zijn, van ons te houden.

Ze was een zoetgeurend vat vol venijn.

Ik had nooit eerder iemand ontmoet bij wie liefhebben en haten zo dicht bij elkaar lagen dat er bijna geen verschil was. Ze wilde niets liever dan iemand liefhebben, maar ze haatte het als ze het daadwerkelijk deed.

Ze wilde niets liever dan bemind worden, maar ze heeft iedereen die ooit van haar heeft gehouden genadeloos voor deze liefde afgestraft.

Achter een façade van verpletterende vrolijkheid verborg zich een schuwe haas met een ziel van glas, een kind vol angsten, nachtmerrieachtige amputaties, opsluitingen, elektrocuties. En ik – de verliefde sjamaan – aanbad het breekbare, gewonde meisje, haar ware zelf, wilde doen wat de liefde van de minnaar eist: als een tedere iconoclast haar konterfeitsel verbrijzelen. Omdat ik van haar hield was het aan mij haar als vrouw en schrijver uit het omhulsel van onechtheid te scheuren, haar zover te krijgen dat ze haar eigen stem liet horen. De bange stem, de boze stem, de drenzerige stem waarmee ze zeurde over futiliteiten, de verstomde stem waarmee ze vernederde en treiterde, de verboden stem waarmee ze als een razende wraakgodin banvloeken uitsprak over iedereen die haar verwondde. Haar stenen tong moest kunnen dansen op het metrum van haar ziel, de zwarte ziel waar ze – terecht – bang voor was. Het was aan mij om haar te laten verrijzen uit die dood.

Wat ik toen niet zag, was dat ik ook bezig was mezelf te bevrijden.

Haar waanzin is mijn waanzin.

Vanaf mijn dertiende liep ik rond met een hoofd vol mythen, sagen, volksverhalen, een geheime wereld van magische kennis, bevolkt door wrede goden die hun zonen verslinden en machtige godinnen in hun wisselende gedaantes van maagd, moeder, monster. Door mijn zus kwamen daar de astrologie, de tarotkaarten, het ouijabord bij. Op mijn twintigste was ik in staat een volledige horoscoop te berekenen van mijn familie, mijn vrienden, van de vriendinnen met wie ze de hemel konden delen of van wie ze zo ver mogelijk verwijderd moesten blijven. Elke ochtend bekeek ik hoe de sterren en planeten ervoor stonden en wat ze me te vertellen hadden.

Als ik op de dag van onze ontmoeting had geluisterd naar wat zij niet zacht fluisterden maar me luidkeels toejankten, had ik me die avond opgesloten in mijn kamer, was niet naar de presentatie van het eerste – en overigens laatste – exemplaar van ons poëzietijdschrift gegaan, had ik haar nooit ontmoet, of misschien op een ander tijdstip, een waarop het niet in de sterren geschreven stond dat mij op die dag een rampzalige ontmoeting te wachten stond, een explosieve botsing van astrale energie die mijn leven voor altijd zou veranderen.

Ik ben een sceptische wichelaar, ik heb er te weinig in geloofd.

Ik ging.

    • Connie Palmen