Er is altijd een zondebok nodig

In Jij zegt het kruipt Connie Palmen in het hoofd van dichter Ted Hughes na de zelfmoord van zijn vrouw, Sylvia Plath, die hem werd aangerekend. „Ik wilde voelen wat het is een Judas te zijn.”

Tekst Jessica van Geel Foto’s Merlijn Doomernik

Connie Palmen: „Ik wil laten zien dat verraad twee kanten heeft. Het wordt over het algemeen negatief geduid, maar verraden is ook openbaren.”

Er is een nieuwe Connie Palmen. Naast hoge stapels romans in de boekhandel en de nodige lovende recensies, betekent dat vaak ook commotie. Zo hebben critici weleens vraagtekens gezet bij het autobiografische karakter van Palmens werk (is het wel een roman als het geen fictie lijkt te zijn?). En er zijn ook altijd mensen uit haar omgeving die zichzelf of anderen in haar boeken herkennen, en daar niet altijd even gelukkig mee zijn.

Palmen – hier komt de commotie – treedt dit met meedogenloos enthousiasme tegemoet. Of het nu gaat om I.M., het boek over haar relatie met de overleden journalist Ischa Meijer, de Amsterdamse grachtengordel die zichzelf ontwaarde in Lucifer waarin componist Peter Schat de hoofdrol speelt, of het Logboek van een onbarmhartig jaar dat ze bijhield na de dood van haar man en voormalig D66-leider Hans van Mierlo.

Toch is het de vraag of de commotie deze keer groot zal zijn. In Jij zegt het kiest Palmen voor een ander soort verhaal dan we van haar gewend zijn. Ze laat het autobiografische los, zo lijkt het.

Ik spreek Connie Palmen een week voor de verschijning van haar roman in haar huis aan de Herengracht. Het is acht jaar na haar laatste roman, vijf jaar nadat haar echtgenoot overleed. Zestig, is ze bijna. Ze ziet er veel beter uit dan de eerste jaren na het overlijden van Van Mierlo, toen drank haar verdriet moest verdoven. Ze is vrolijk en nestelt zich in een van de grote rode banken, waterkan en sigaretten bij de hand. Oorspronkelijk is het het huis van Van Mierlo. Palmen is er na zijn dood gaan wonen, al woonde ze er praktisch al, haar woning aan de Prinsengracht gebruikte ze enkel nog als kantoor. De muren hangen vol moderne kunst. Overal staan foto’s van hem. Foto’s van hen samen. Aan een enkele deurpost, daar waar de vloer een pas omlaag of omhoog maakt, zitten nog de aluminium grepen die Van Mierlo in zijn laatste maanden houvast moesten geven. Het huis is „moleculair nog erg door hem bezet”. Ze is er gelukkig, zegt ze.

Jij zegt het gaat over de liefde tussen het wereldberoemde dichtersechtpaar Ted Hughes en Sylvia Plath. Palmen kruipt in het hoofd van Hughes en laat hem in dichterlijke bespiegelingen terugkijken op hun huwelijk, dat dramatisch eindigde in de zelfmoord van Plath, en de periode daarna. Die periode is zeker interessant, want terwijl Plath wordt gezien als martelares, wordt Hughes de verrader. Vooral feministen wisten een monster van hem te maken vanwege zijn ontrouw en het – veronderstelde – vernietigen van Plaths laatste dagboek. Behalve in zijn bundel Birthday Letters die een paar maanden voor zijn overlijden in 1998 verscheen, heeft Hughes zich tijdens zijn leven nooit publiekelijk uitgelaten over zijn relatie met Plath. Dat doet Palmen: ze schreef zijn fictieve, ongeautoriseerde autobiografie.

„Het is mijn meest persoonlijke roman”, zal ze halverwege het gesprek vertellen. Om direct daarna hardop te lachen. „Dat zeg ik om te pesten. Maar toch is het waar.” Ze wacht even en zegt dan: „En niet.”

Welkom in Connie Palmen-land, waar fictie en werkelijkheid altijd met elkaar in gevecht zijn.

In de opdracht van het boek citeert u Ted Hughes: ‘We think we’re writing something to amuse, but we’re actually saying something we desperately need to share.’ Waarom juist dit verhaal?

„Ik wil laten zien dat verraad twee kanten heeft. Het wordt over het algemeen negatief geduid, maar verraden is ook openbaren. En het enige wat je kunt doen als schrijver, wat geen enkele andere kunstvorm kan, is het woord weer ambigu maken. Dubbelzinnig. Twijfelachtig.”

In Lucifer gaat het ook om het effect van verhalen, roddels die op gang komen na de onopgehelderde dood van een vrouw die in een ravijn valt...

Lucifer is mijn schaduwboek, mijn broederboek van Jij zegt het. Lucifer is het kwaad in het Oude Testament en ik wilde dat nog een keer doen met een nieuwtestamentische figuur en dat is Judas. In beide gevallen zie je dat God het kwade nodig heeft om zijn heilsplannen te voltrekken. Hij heeft Lucifer nodig om zijn zoon geboren te laten worden. En in het Nieuwe Testament is de Messias, Jezus, mens geworden, maar op een gegeven moment moet hij dood. Judas, een van zijn beste vrienden, moet het voor God opknappen.

„Na de dood van Hughes zei Germaine Greer [literatuurwetenschapper en feministe]: wij verloren een heldin en we hadden een zondebok nodig en daar was Ted. Er is altijd een zondebok nodig. Dat interesseert me. Het is mijn oerthema zou je kunnen zeggen.”

Voor de dood van Hans van Mierlo kondigde u al aan dat u een Judas-boek wilde schrijven. Waarom koos u hier het huwelijk van Plath en Hughes voor?

„Dat huwelijk was mijn oudste inspiratiebron. In de tussentijd ben ik allerlei stations gepasseerd, om er pas vorig jaar zomer achter te komen dat ik terug moest naar mijn oudste plan. Bovendien was ik al erg lang op Ted.” Palmen lacht hartelijk. „Ik volg hem al jaren. Ik voel me tot hem aangetrokken, zowel tot zijn gedichten als zijn uiterlijk. Andersom, eerlijk gezegd. En toen kwamen die verjaardagsbrieven, Birthday Letters, nou toen was ik helemaal verkocht.”

Waarom besloot u om vanuit zijn perspectief te schrijven?

„Ik wilde voelen wat het is om een Judas te zijn. Ik wilde laten zien hoe verwoestend het is onderwerp te zijn van roddelverhalen. Dat was de grootste uitdaging. Het verraad ondergaan, in plaats van het verraad te beschrijven of de verrader te tonen. Literair-technisch was het de grootste uitdaging om een monoloog 263 pagina’s lang spannend te houden. Ik wilde een ononderbroken tekst, een ademtocht.”

U heeft zich een andere, meer poëtische stijl aangemeten in dit boek. In hoeverre wilde u Hughes’ stijl laten doorklinken?

„Ik moest mijn eigen droge, ietwat laconieke stijl enigszins geweld aandoen. En ja, ik zat in het hoofd van een dichter, dus dan ben je ook dichterlijk. Aanvankelijk stond ik mijzelf een beetje giechelig toe poëtische zinnen te schrijven, maar ik kreeg er steeds meer lol in.”

In 2013 verscheen een vijfhonderd pagina’s dikke brievenbundel van Hughes in Nederlandse vertaling, ‘Ik wil nooit vergeven worden’. Hoe belangrijk waren die brieven voor u?

„Ik had ze al in het Engels gelezen. In totaal heb ik meer dan tachtig boeken van en over Hughes en Plath bestudeerd. Stilistisch was het zaak te schipperen tussen mijn eigen stijl en die van Hughes. Ik moest de zijne niet imiteren, maar vooral laten bezinken. Maar de meeste poëzie van Hughes is niet vertaald, dus ik hoefde geen moeite te doen om imitatie te vermijden.”

U zegt dat u in het hoofd van degene wilde zitten die verraden werd, maar Hughes heeft wel het laatste dagboek van Sylvia Plath vernietigd. Hij is ook een verrader.

„Nou, ik heb het idee dat dat nog wel eens opduikt. Ergens. Ik begrijp hem trouwens goed. Het moet verschrikkelijk zijn geweest voor hem om dat dagboek te lezen. Hij had een ander en hij wist dat hij zijn vrouw vreselijk veel pijn had gedaan. Hij wist ook hoe fragiel ze was. Ze moet de meest schrijnende noodkreten hebben geschreven die hem door merg en been zijn gegaan. Hughes was machteloos gemaakt door haar zelfmoord.”

Zelfmoord doodt twee mensen, citeert u Arthur Miller in uw boek.

„Ja. En dan kan hij nog één machtige zet doen: de fik erin, of verstoppen, weg houden. Maar niet aan de wereld openbaren. Zij ging weg uit de wereld, dus hij had ook het recht om iets achter te houden.”

Zijn beste vriend, poëziecriticus Al Alvarez, schrijft acht jaar na haar dood een sensatiebelust artikel over de laatste maanden van Plath.

„Hij beschrijft de aanloop naar haar zelfmoord, maar Hughes had zijn kinderen nog niet over haar zelfmoord verteld. Dat was afschuwelijk voor Hughes. Dat net zijn beste vriend… Oscar Wilde schreef al eens: alle grote geesten krijgen hun discipelen, maar het is altijd Judas die de biografie schrijft. Kijk, het boek wemelt van de Judassen. Ikzelf ben ook een Judas. Iedereen die meewerkt aan een biografie pleegt verraad. En Hughes beseft dat, zoals bij iedere beroemdheid, op een dag zelfs zijn beste vrienden er aan zullen meewerken. Als alleen jouw efemere vrienden, mensen die zichzelf vrienden noemen maar dat eigenlijk niet zijn, meewerken aan je biografie, dan komt het geheid niet goed. Mensen houden er meer van om iets slechts over je te vertellen dan iets goeds. De lust tot kwaadsprekerij is groter dan de lust tot lof.”

Hoe persoonlijk is het boek voor u?

„Heel persoonlijk. Als schrijver heb je veel met verraad te maken. Je weet dat je op het moment dat je een boek schrijft gebruik maakt van je eigen werkelijkheid. Van je kennis, je indrukken. En wat mensen verzinnen noemen, is niets anders dan het scherp en soms genadeloos observeren van anderen. Alle kunst is autobiografisch.”

Na I.M. en het Logboek heeft u veel kritiek gekregen. Mensen zeiden: dit is niet de Ischa die ik kende, of de Hans. Kon u zich identificeren met Ted Hughes?

„Ik weet hoe hij zich gevoeld moet hebben. Ik ben een verrader én degene die verraden wordt. Ik ken beide kanten.”

Is dit een afrekening met die kritiek?

„Nee. Ik denk niet aan kritiek. Mijn boeken zijn mijn boeken. Hoe mensen erop reageren is niet aan mij. Ik zie het wel. Jij zegt het – dat kan een vorm van zelfbescherming zijn, en dat zal ook heus wel, maar het raakt me niet. Ik hoop juist dat ieder boek kritiek krijgt, dat sterkt me in de overtuiging dat ik een knietje heb gegeven aan iets dat nog als taboe gezien wordt. Dat is wat ik wil. Plaagstootjes uitdelen. Nee, het gaat veel meer over de ervaringen die ik heb.”

Waaraan denkt u dan?

„Roddels. Verhalen die mensen bedenken. Er is bijvoorbeeld eens een documentaire over me gemaakt waarin allemaal mensen werden geïnterviewd met wie ik niets had. En toen I.M. uitkwam heeft een vriend in de krant gesuggereerd dat hij een relatie met Ischa had gehad. Ischa homoseksueel, stond op de voorpagina.”

Wat kunt u daaraan doen?

„Niets. Ik wil alleen, met mijn zoveelste boek, de macht van het woord laten zien. En het enige – dat is natuurlijk een paradox – waarmee ik het verraad kan tonen is door zelf de macht te grijpen en een boek te schrijven. De taal en het woord hebben een gevaarlijke kant.”

Heeft u deze keer bewust een niet-autobiografisch thema gekozen?

„Hoezo?”

U kende Hughes niet persoonlijk.

„Nee, maar Peter Schat ook niet, daar gaat het dus niet om. Schat en Hughes stonden dicht bij me, anders had ik ze niet als personage gekozen. Wat er in die liefde tussen Ted en Sylvia gebeurt, dat gebeurde bij mij als schrijver ook.”

Maar ik kan me voorstellen dat het prettig is eens afstand te hebben tot het onderwerp. U heeft een hoge prijs betaald voor uw autobiografische boeken, vrienden verloren...

„Ik verlies nooit iemand die ik niet wil verliezen, behalve door de dood. Bij mij is het tot de dood ons scheidt, behalve als ik anders beslis. Als ik al een prijs betaal, dan is het eerder fysiek. Mijn weerstand is altijd op nul als ik klaar ben met een boek. Maar het is niet het verlies van vrienden of andere breuken. Dat waag ik allemaal omdat ik het zelf wil, daar zit een bewuste destructie achter.”

Waarom?

„Omdat ik een destructief iemand ben.” Ze wacht even. „Sommige dingen moeten kapot.” Ze kijkt er opgewekt bij. „Détruire, dit-elle, de titel van een boek van Marguerite Duras. Elke schrijver begrijpt dat. Een schrijver heeft een gewelddadige kant. Waarom? Omdat het boek belangrijker is dan puntjepuntjepuntje.”

Puntjepuntjepuntje?

„Dat kun je invullen. Belangrijker dan: je eigen leven, vriendschappen…”

Belangrijker dan liefde?

„Liefde nooit. Nee. Sommige schrijvers hebben hun familie kapot gemaakt, sommigen hun huwelijk. Ik niet.” Ze steekt een sigaret op. „Schrijvers zijn indoor persons, zoals Peter Buwalda in Zomergasten zei. Zodra ik naar buiten ga, zodra ik niet meer alleen ben, sluipt er iets binnen dat er niet is als ik schrijf. Dan heb ik het over onechtheden, verzwijgen, niet durven zeggen wat je ziet, wat je analyseert. Tegen iemand zeggen dat je een boek goed vindt terwijl je eigenlijk denkt: mijn god, wat slecht. Daarmee doe je jezelf geweld aan. Die onechtheden beschermen eigenlijk een ander voor jouw boosaardige, analytische, oordelende zelf. En daar hou je mee op als je gaat schrijven.

„En in extreme situaties als rouw, zo beschrijft Freud het, kun je alles waar je jezelf geweld mee aandeed laten vallen. Daarom stoot je in de rouw sommige mensen af. Rouw is extreem. En daarom zie ik in zelfmoord, ook in die van Sylvia Plath – een destructief iemand – een poging om dat corrumperende te vernietigen. Plath vernietigt zichzelf, ze vernietigt het onechte dat ze zichzelf heeft aangedaan.”

De dood als zuivering…

„Als offer. Ik doe jullie mij niet meer aan.”

Is schrijven ook een zuivere staat van zijn?

„Absoluut. Als je bij schrijven niet jezelf tegenkomt kom je nooit jezelf tegen. In de liefde en in het schrijven zie je jezelf.”

Het is acht jaar geleden dat u uw laatste roman schreef. Waarom?

Ineens kijkt ze verbeten. „Er kwam nogal wat tussen, hè.”

Dat begrijp ik. Uw man overleed. Maar ik bedoel, heeft u lang gezocht naar dit onderwerp?

Ze ademt diep en lijkt dan te ontspannen. „Ik heb pas… Gek, nou moet ik persoonlijk worden. Ik heb pas ontdekt wat mijn grote obstakel was toen ik weer begon met schrijven. Jij zegt het woelde zoveel verliefdheid en verdriet bij me op, dat had me tot dan toe weggehouden van het schrijven. Je kunt niet schrijven als je je empathische kant hebt dichtgemetseld. En ik wilde even geen pijn. Ik wilde even niet verliefd zijn. Ik wilde een paar jaar helemaal niets voelen. Het moment dat ik begon met schrijven, ik was nog geen tien pagina’s ver, zat ik weer bij elk NOS Journaal te huilen bij de vluchtelingen. Alles brak open.”

En hoe is het nu met u, nu u, zogezegd, weer openstaat?

„Nou, het gaat al lang goed met me, ik heb leren leven met de alom aanwezigheid van de dood. Misschien meer dan iemand anders. Mijn grote geluk is nu niet meer schrijven en de liefde – dat zijn altijd mijn stutten geweest – het is nu nog alleen dat schrijven. Ik ben nog asocialer geworden, heb ik nog meer de neiging om me terug te trekken. Ik heb genoeg liefgehad, ben genoeg liefgehad, heb zoveel al gedaan en zoveel genoten. Ik hoef die constante herhaling niet. De enige herhaling die me niet verveelt, is het schrijven en de liefde van vrienden en familie. Dat lot van een aantal mensen dat me aangaat. Het is genoeg.”