Dit ben ik

Wees voor uzelf, raadt Maxim Februari aan.

Op het internet gaf een naamloze therapeut iedereen toestemming zichzelf te zijn. ‘It’s okay to be the same person all the time.’ Sinds ik dit las, kon ik aan niets anders meer denken.

Voor die tijd vatte ik het begrip ‘identiteit’ bij voorkeur politiek en maatschappelijk op. Als sympathisant van John Stuart Mill zag ik de mensheid van nature als een bonte verzameling van diverse identiteiten. Als sympathisant van Amartya Sen zag ik ieder mens afzonderlijk ook nog eens als een optelsom van diverse deelidentiteiten. En als lezer van Anna Blaman zag ik dat die diverse deelidentiteiten een reactie konden aangaan met de diverse deelidentiteiten van anderen, zodat vier meisjes die gezamenlijk een huisje huurden daar al snel zaten met „vierentwintig onverzoenlijke individualiteiten” die slechts vier bedden hadden met hun vierentwintigen „en met haar zessen op één stoel zaten”.

Mijn denken draaide in het kort om diversiteit en verdubbeling. En dus om discriminatie. Want als ik mijn maatschappijvisie helemaal rond wilde breien, kon ik er Freud nog bijhalen met zijn narcisme van de kleine verschillen. Gemeenschappen doen het venijnigst tegen de gemeenschappen die het meest op hen lijken, zegt Freud. Zet vier vergelijkbare meisjes in een huisje en je hebt binnen de kortste keren twaalf vijandige allianties.

Niet dat zulk narcisme dan het einde van de wereld was. Want tot slot kon je al dat identificeren en discrimineren nog bijschaven door aan ieder individu áls individu rechten te geven. Mensenrechten, die aan iedere mens toekomen, onafhankelijk van de groep of natie waartoe die behoort.

Nou ja, zo was ik dus druk doende met diversiteit en pluraliteit en alles wat maatschappelijk verbindt en verdeelt. Totdat die naamloze therapeut begon over persoonlijke identiteit - een begrip dat zich met wiskundige eenvoud liet definiëren. A=A. Ik ben ik. Niks identificeren en discrimineren, je bent simpelweg wie je bent. Het statement was niet minder dan een openbaring. Steeds dezelfde persoon zijn, ja, dat wilde ik nu opeens het allerliefst. De vraag was alleen: hoe doe je dat?

Ik zou namelijk een neuroot van niets zijn als ik die persoonlijke identiteit niet meteen weer zou problematiseren. Ben je bijvoorbeeld nog steeds jezelf als je hoofd is getransplanteerd? Als je, om maar eens iets geks te noemen, van geslacht bent veranderd? Ben je nog dezelfde persoon die je was als je na een eeuwigheid dood te zijn geweest bij de Wederopstanding tot leven komt? Hoe veel persoonsverandering kan de persoonlijke identiteit van een mens aan?

De grote denkers boden op dit punt weinig uitsluitsel. Hun verlegenheidsantwoord luidde dat je dezelfde persoon blijft zolang er continuïteit valt aan te wijzen in je bestaan. Natuurlijk ben je niet langer de vierjarige die je in de zandbak was. Maar zou je met een global positioning system je spoor terugvolgen door de tijd, dan blijk je van seconde tot seconde in jezelf te zijn overgegaan. Zo leek persoonlijke identiteit dus deels een lichamelijk verschijnsel. Je bent niet je brein, zoals sommige kamergeleerden denken, maar je bent het geheel van je verschijnen in de wereld. Je hebt niet alleen een lichaam, maar je bént ook je lichaam, las ik in Jenny Slatmans boek Vreemd Lichaam, Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit. Je lichaam is je tegelijkertijd vreemd en toch zo eigen dat je niet het lichaam wilt van een ander. Je wilt jezelf zijn. Vandaar de geringe animo voor de vrij simpele techniek van de hoofdtransplantatie.

En toen, op pagina 220, stuitte ik op Slatmans noot 10. Over transseksualiteit. „Ik zal dit fenomeen hier verder buiten beschouwing laten”, schreef Slatman. Man-zijn en vrouw-zijn hebben namelijk niet alleen met het lichaam maar ook met gedrag te maken, en dan wordt de zaak van de identiteit al gauw heel complex.

Starend naar noot 10 daagde het me opeens. Modale transseksuelen, zoals ikzelf, zien man-zijn of vrouw-zijn als een kwestie van hun persoonlijke identiteit. A=A. Ik ben ik. Je weet wie je bent, je doet een simpele medische ingreep en verandert niet van geslacht, maar past een aspect van je lichaam aan jezelf aan. Ja, constateer je achteraf opgelucht, dit ben ik. Simpel.

Maar buitenstaanders, voor wie sekse als persoonlijke identiteit onproblematisch is, kunnen man-zijn of vrouw-zijn louter zien als een kwestie van groepsidentiteit. Ze vatten de zaak politiek en maatschappelijk op. Vandaar al dat intellectualiseren, diversifiëren, discrimineren, opiniëren en debatteren dat nu eenmaal bij maatschappelijke kwesties hoort. Groepsidentiteiten botsen en al die conflicten moeten worden uitgevochten; ook the battle of the sexes. Zo wordt transseksualiteit voer voor genderstudies, Arie Boomsma, Instituut Clingendael, opiniebijlagen en het Hof in Straatsburg.

Ik geef toe, als onderzoeker ben ik nog steeds razend geïnteresseerd in groepsidentiteit, diversiteit en pluraliteit. Maar als de dag gedaan is, zit ik tegenwoordig voldaan op mijn stoel mezelf te wezen. En ik raad u aan hetzelfde te doen.