De lichtjes van Dickisoni

De Verenigde Naties willen vóór 2031 hebben afgerekend met extreme armoede. Journalist Dick Wittenberg leerde tien jaar geleden in Dickisoni, een gehucht in Malawi, wat armoede is. Hij keert terug naar het dorp. Is de armoede daar al uitgeroeid?

Foto’s Jan Banning

Griseria Chaziya (39) zorgt voor neefSofasi (16) en nichtElinat (7). Onder het zeil ligt tabak die ze voor 80 eurocent per kilo verkoopt. Foto's Jan Banning

‘Hier draagt niemand een bril. Niet de negenjarige Jona voor wie de letters in het schoolboek steeds te klein zijn. Niet het dorpshoofd dat toch niet kan lezen. Niet de dansende oude vrouw die de wereld door een waas van tranen ziet. Waar zouden ze een bril moeten halen? In de slaperige hoofdstad waar maar acht van de dorpelingen ooit geweest zijn? Wie betaalt dat als er niet eens geld is voor zout of zeep?

Zo begon tien jaar geleden mijn reportage in het maandblad M van NRC Handelsblad. Het was een verhaal over alledaagse armoede in Dickisoni, een doorsnee dorp in Malawi. Over het naakte bestaan op de rand van de afgrond, zoals ruim een miljard mensen dat nog steeds ondergaan.

We bivakkeerden enkele weken in Dickisoni, fotograaf Jan Banning en ik. Hij maakte portretten van de vijfenveertig gezinnen in hun kale huizen. Zo zag je Afrikaanse boeren anders nooit. Binnenskamers. Ernstig naar de camera kijkend. Waardig. Omringd door hun schaarse bezit.

En ik ontdekte dat armoede zoveel meer was dan gebrek aan geld. De essentie van existentiële armoede? Slapen op de grond, gewikkeld in een doek of deken. Niet genoeg te eten hebben. Twee stellen kleding bezitten of minder, versleten, verwassen, gescheurd. Geen basisbenodigdheden kunnen kopen, zoals zout, lucifers, kookolie en zeep. Geen toegang hebben tot voorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Van de hand in de tand leven, dag na dag, geen enkele keus.

‘Het gezicht van de armoede’ was de kop boven onze reportage. Een groot aantal lezers toonde zich diep geraakt. Er kwamen meer dan zeshonderd reacties. Er ontstond spontaan een inzamelingsactie. Er vormde zich een heuse hulporganisatie: de Vrienden van Dickisoni. Ik werd hulpverlener tegen wil en dank.

Vijf jaar lang kreeg Dickisoni financiële steun om aan de armoede te ontsnappen. Dat gebeurde in de vorm van maïsmeel, kunstmest, zaden, trappompen en een landbouwkundig adviseur, precies zoals de boeren vroegen. Alle gezinnen ontvingen hetzelfde. Er mocht geen verdeeldheid ontstaan.

Sinds 2005 verbleef ik regelmatig in Dickisoni. Ik voel me innig met de bewoners verbonden. Ze voelen als verre familie. Maar mijn laatste bezoek dateert alweer van vijf jaar geleden. Ik keer terug naar Dickisoni, opnieuw met fotograaf Jan Banning. Is de armoede in Dickisoni al gehalveerd?

We reizen van de hoofdstad Lilongwe naar Dickisoni, een afstand van nog geen tachtig kilometer. We zijn tweeënhalf uur onderweg. We rijden dezelfde route als tien jaar geleden, eerst over de asfaltweg naar Namitete, dan over zandwegen die steeds ruller worden. In het regenseizoen zijn ze onbegaanbaar.

We zijn in gezelschap van Willem Kerkhof en Epifano Chifumbi, net zoals toen. Willem is een witte pater met Brabantse tongval die al sinds 1970 in Malawi werkt. Chifumbi is een Malawische pastoraal werker. Zonder Chifumbi beginnen we niets in het dorp. Hij regelt. Hij vertaalt. De dorpsbewoners beschouwen hem als een van hen.

Voorbehoedsmiddelen

Voor het huis waar wij de komende week verblijven, staan onze stoelen al klaar. We kennen het ritueel. Iedere volwassene begroet ons persoonlijk. Heel het dorp schuifelt langs ons heen. Ik kan mijn ogen niet geloven. Marigerita, Sesiria, Kameri, de drie hoogbejaarde weduwen zijn nog allemaal in leven. Het dorpshoofd ziet mijn verbazing. „Niemand”, zegt hij, „is de afgelopen tien jaar door honger gestorven.”

Er zijn wel zuigelingen overleden, vertelt het dorpshoofd als hij ons ’s avonds bijpraat bij maanlicht. Niet een op de vijf meer zoals vroeger. Zelfs niet een op de tien meer zoals nog in 2005. Misschien een op de twintig. Dat is te danken aan voldoende voedsel en aan gratis vaccinaties in de overheidsklinieken. Het komt ook door geboortebeperking, zegt het dorpshoofd. Geboortebeperking in Dickisoni? Tien jaar geleden waren er nauwelijks huishoudens die aan gezinsplanning deden. De meeste mannen peinsden er niet over om voorbehoedsmiddelen te gebruiken. De meeste vrouwen zagen een klein gezin als nederlaag.

De stemming is omgeslagen, vertelt het dorpshoofd. Huishoudens die wel aan geboortebeperking deden, dienden als rolmodel. Juist die huishoudens boerden beter dan de almaar uitdijende gezinnen. Misschien zagen moeders in dat ze hun baby’s langer en beter konden voeden als ze niet steeds weer onmiddellijk zwanger werden na elke bevalling.

Samen met Chifumbi bezoek ik elke dag een aantal huizen. Zo deed ik het tien jaar geleden ook. De begroetingsrituelen zijn altijd dezelfde. Meestal is de vrouw van het huis buiten aan het werk. Chifumbi vraagt haar of we welkom zijn. Zeker, zegt ze. En ze snelt naar binnen. Ze brengt het woonvertrek op orde. Ze rolt de rieten mat uit die in een hoek van de kamer staat. Ze nestelt zich op de vloer.

Dan pas kunnen we binnenkomen en op de mat gaan zitten. Ze begroet ons. „Muli bwanji”, zegt ze in de lokale taal Chechewa. „Hoe gaat het?” „Ndiri bwino. Kaya inu?”, luidt onveranderlijk mijn antwoord. „Met mij gaat het goed. En met u?” „Ndiri bwino”, zegt ze, „met mij gaat het goed”.

Mijn eerste vraag is bijna altijd: „Hoeveel maïs verwacht u te oogsten?” Dat klinkt triviaal en onpersoonlijk. Maar het antwoord is van levensbelang voor dit gezin. Zeventig procent van de kilocalorieën die een mens dagelijks nodig heeft, halen ze hier uit nsima, dat zijn klonten ingedikte maïspap. Nsima geldt als het hoofdbestanddeel van elke maaltijd. Wie zo’n 250 kilo per gezinslid oogst, weet dat hij of zij het hele jaar te eten heeft.

Oogst ze minder, dan heeft ze geld nodig om maïsmeel te kopen. Daarom wil ik weten of ze tabak heeft geteeld. Tabak is een van de weinige gewassen waarmee je hier geld verdient. En houdt ze misschien varkens, geiten of kippen? Vee kun je ook verkopen als het tegenzit. Tegenvallers zijn er altijd.

Ook vraag ik of ze in de dimba werkt. Dat zijn een soort volkstuinen: laaggelegen lapjes grond met genoeg grondwater om groente te verbouwen, zoals kool, cassave, tomaten en zoete aardappelen. Zolang er maar genoeg water staat, kun je hier groenten blijven oogsten. Ook de dimba dient als vangnet en inkomstenbron.

Ik ga op bezoek bij de melaatse oude man. Ooit was hij de rijkaard van het dorp. Isimu Anderson was ondernemer. Hij bezat een auto. Totdat hij in 1973 door lepra werd getroffen. Sindsdien kan hij niet meer lopen op zijn voeten als klompen. Ook zijn handen zijn misvormd. Tien jaar geleden was hij veruit de armste van het dorp, samen met zijn vrouw Yosofina die hem verzorgde. Ze hadden niet eens een deken. Ze wikkelden zich ’s avonds in een juten zak. Lang voor het licht werd, wekte hen de kou.

Hij zit altijd op het stoepje voor zijn huis, maar dit keer niet. Ver weg kan hij niet zijn. Chifumbi hoort hem kuchen. Hij doet achter een rieten omheining boven een gat zijn behoefte. Even later schuift hij op zijn billen door het zand langzaam naar zijn huis. Met zijn mismaakte handen drukt hij zijn tengere lichaam de verhoging voor de voordeur op. Dat doet hij op de tast, want negen jaar geleden werd hij ook nog blind. Hij warmt zich met welbehagen in de ochtendzon.

Hij geniet nog altijd van het leven, zegt hij. Hij leed al tien jaar geen honger. God moet wel heel veel van hem houden.

Maand zonder maïs

De aanblik van de akkers is angstaanjagend. Het dorpshoofd leidt me rond. Verdorde maïsstokken staan als skeletten in slagorde. Ze kregen geen kans om kolven te vormen. Eerst regende het pas eind december, drie, vier weken later dan normaal. Daarna stopten de regens alweer in februari. Weinig huishoudens oogstten genoeg maïs om het hele jaar te eten.

Saulos Fanuel is de eerste die erover vertelt. Hij leende 2.000 kwacha, vier euro, in een maand dat hij zonder maïs zat. Bij wie leende hij dat geld? Bij de bank, zegt Saulos, bij een van de vier banken in het dorp die door vrouwen worden gerund. Het duurt even voor ik van de verbijstering ben bekomen. Banken in Dickisoni? Beheerd door vrouwen?

Zeneti Julius is penningmeester van een van die banken. Ze vertelt dat die instellingen per ongeluk tot stand kwamen. Er waren vier vrouwengroepen die geld wilden verdienen met naaien, breien, haken en potten bakken. Door met zijn allen op een plantage in de omgeving te werken brachten ze het startkapitaal bij elkaar.

Maar geen van die bedrijven kwam ooit van de grond. Geen handel, geen kopers, te duur. Als ze hun startkapitaal eens uitleenden? Zo ontstonden drie jaar geleden hun banki mkonde, letterlijk: banken op de stoep.

De banken rekenen 50 procent rente per maand. Dat weerhoudt dorpsbewoners ervan om lichtzinnig te lenen, zegt Zeneti. Een klant moet het geld erg dringend nodig hebben en goed weten hoe hij de lening met rente op korte termijn kan terugbetalen. Of hij ziet mogelijkheden om dankzij die lening snel geld te verdienen.

Dat een klant zijn schuld niet tijdig voldoet, gebeurt zelden, zegt Zeneti. In zo’n geval marcheren de vrouwen met zijn allen naar het huis van de betrokken persoon. Ze nemen pannen in beslag, of kippen of een geit. Binnen de kortste keren krijgen ze alsnog hun geld.

Een bank drijven is een lucratieve bezigheid. Zeneti rekent het voor. In haar groep zijn ze met zijn tienen. Ze legden vorig jaar ieder 3.000 kwacha in, 6 euro. Samen: 30.000 kwacha. Aan het eind van het jaar hadden ze 127.000 kwacha, 254 euro. Zeneti kocht van de winst een tweedehands fiets.

Ik maak een rondgang door het dorp. Tien jaar geleden zag ik nauwelijks tekenen van welstand. Vier bakstenen huizen. Geen golfplaten daken. Geen ossenkarren. Geen andere voertuigen dan fietsen. Geen mobieltjes. Geen koeien. Weinig kippen en geiten. Nauwelijks varkens. De dichtstbijzijnde school lag op een uur lopen. In de meeste huizen was het ’s avonds aardedonker. In een enkele woning flakkerde het licht van een paraffinelamp.

Wat is er veranderd? Het dorp is gegroeid: van 45 naar 56 huishoudens. Ik tel tweeëntwintig bakstenen huizen, waarvan drie met een dak van golfplaat. Ik stuit ook op andere sporen van vooruitgang: vijf ossenkarren, twee motorfietsen, negentien koeien, zeven mobieltjes. Naast het huis van Hammard, de rijkste man van het dorp, staat zelfs een auto. Waar ik ook kom, overal hoor ik kippen, varkens, geiten. Bijna ieder gezin heeft vee.

Jan Banning maakt ook dit keer portretten van gezinnen in hun huizen. Zoek de verschillen met tien jaar geleden. De plastic teil in plaats van een aardewerken kom. Een paar schoenen aan een spijker in de muur. Betere kleren. En meer kleren, meer dekens, maar die hangen in de slaapkamer over een balk, dus die zie je niet.

Wat is er verder veranderd? Buiten het dorp sop ik door de drassige dimba’s. Tien jaar geleden verbouwde bijna niemand hier groenten. Te veel werk voor een te lage opbrengst. Nu wemelt het hier van de bewoners die op blote voeten in de weer zijn met gieters of een tuinslang die ze aan een trappomp hebben gekoppeld. Dankzij de dimba’s zijn bewoners voor hun voedsel minder afhankelijk geworden van hun akkers.

Ik drentel naar de kerk op de heuvel vlakbij het dorp. Naast de kerk ligt tegenwoordig een schoolcomplex met sportveld. De basisschool telt ruim 650 leerlingen uit alle omliggende dorpen, verdeeld over acht groepen. In groep 1 met de jongsten zitten ruim honderd kinderen. Groep 8 heeft 29 leerlingen. Zeker veertig procent van de kinderen maakt de school nooit af. Een enkeling stroomt door naar de middelbare school. Intussen gaan tegenwoordig wel alle kinderen naar school.

Als ik de rondgang ’s avonds herhaal, dwalen lichtjes in de meeste huizen. De paraffinelampen zijn stuk voor stuk verdwenen. Paraffine is in de wijde omgeving niet meer te koop. Ze zijn vervangen door zaklampen of hanglampen op batterij of zonne-energie.

Mazda F8 pickup

Het dorpshoofd wees hem tien jaar geleden al aan als rijkste man van het dorp. Hij woonde in eenzelfde lemen huis als andere dorpsbewoners. Hij oogstte meer maïs dan de meesten. En hij teelde tabak, als een van de weinigen destijds.

Tegenwoordig noemen ze Hammard Andsen met recht de rijkste man. Zijn bakstenen woning is niet opvallend groot, maar springt in het oog door de pilaren voor de voordeur. Naast het huis staat zijn Mazda F8 pickup uit 1992.

Twee sofa’s en twee fauteuils vullen het leeuwendeel van het woonvertrek. Een Chinese motorfiets neemt de rest van de ruimte in beslag. Verder vallen op: een tv die is verbonden met een zonnecollector, een keyboard, een dvd-speler, een doos vol dvd’s.

Hoeveel maïs oogst hij dit jaar? Hammard pakt zijn rekenmachine erbij. Hij komt uit op 5.000 kilo, genoeg om zijn gezin vier jaar te voeden. Toch spreekt hij van een strop, hij had op 10.000 kilo gerekend. Hij haalt er zijn opschrijfboekje bij.

Vijfduizend kilo, tien keer het dorpsgemiddelde, ondanks het kortste regenseizoen in twintig jaar. Hoe kreeg hij dat voor elkaar? Door extra akkers te pachten. Door personeel in te zetten. Door het land te bevloeien toen de regens staakten. Zijn ossenkar en zijn auto zette hij in voor het watertransport.

Hoeveel tabak hij oogstte? Vijfentwintig balen: 2.500 kilo. Daar heeft hij eerst flink voor moeten investeren in kunstmest: 330.000 kwacha, 660 euro. Met de opbrengst opent hij nog dit jaar een maalderij in een nabijgelegen handelspost.

Ja, hij heeft zich ontwikkeld. En, nee, de meesten in het dorp ontwikkelden zich niet. Al gaat het wel beter met Dickisoni dan vroeger. Dat komt door de hulp die ze een aantal jaren kregen. Daar had de Malawische regering op moeten voortborduren. De overheid in dit land doet niets.

Alle lidstaten van de Verenigde Naties omarmen eind deze maand het plan om extreme armoede vóór 2031 de wereld uit te helpen. Het deel van de aardbewoners dat in barre armoede leeft, is de afgelopen vijfentwintig jaar al ruim gehalveerd tot 13,4 procent. De armoede in de wereld mag sinds 1990 ruim gehalveerd zijn, die winst is ongelijkmatig over de globe verdeeld. China en India zorgden voor de grootste vooruitgang. In Afrika ten zuiden van de Sahara zakte het aandeel armoedzaaiers van 56 tot 41 procent. In absolute aantallen steeg het aantal armen zelfs van 287 tot 403 miljoen. De armsten in Afrika zijn ook armer dan de armsten in andere delen van de wereld. Hun inkomen per dag bedraagt 74 dollarcent, 24 dollarcent minder dan het mondiaal gemiddelde.

In het licht van deze cijfers deed Dickisoni het nog niet zo slecht. Tien jaar geleden deelde ik de huishouden in drie klassen in: de ‘rijken’ die zich nooit zorgen hoeven te maken, de armsten die nooit genoeg voedsel hebben om het hele jaar te eten en de middengroep die over voldoende reserves beschikt om tegenslagen op te vangen, zolang ze niet overweldigend zijn. Destijds hoorden 36 van de 45 huishoudens tot de armsten en 9 tot de middengroep. Anno 2015 kom ik bij 56 huishoudens tot de volgende indeling: 7 rijken, 17 gezinnen in de middengroep, 32 in de armste. Bij de armste huishoudens gaat het vooral om bejaarden, gehandicapten en alleenstaande vrouwen.

Dickisoni laat zien dat aan armoede valt te ontsnappen. Maar traag. Niet zonder hulp. En niet door iedereen.

    • Dick Wittenberg