Bang voor de ronselaar

Maandag begint de strafzaak tegen tien radicale moslims uit de Haagse Schilderswijk. Ze zouden jongeren hebben geronseld voor de jihad in Syrië. Wat deed dat met de wijk? „Deze ouders worden gemeden alsof ze een besmettelijke ziekte hebben.”

De El Islam-moskee in de Haagse Schilderswijk weert samenscholende jongeren uit angst voor radicalisering. „We willen geen problemen in de moskee.” Foto David van Dam

De vader is klein van stuk maar sterk. Hij loopt de Haagse El Mohsinin-moskee binnen. Hij weet precies wie hij zoekt. De man die zijn zoon ronselde voor de strijd in Syrië: Azzedine C. „Ken jij mijn zoon”, vraagt hij als hij Azzedine binnen treft in gezelschap van drie vrienden. „Nee, nee”, zegt Azzedine, die naar buiten snelt. De vader komt achter hem aan. „Jij hebt mijn zoon kwijtgemaakt!”, schreeuwt hij voor de moskee. Hij verliest zijn zelfbeheersing en geeft Azzedine een klap in zijn gezicht.

Azzedine C. is een van de tien radicale moslims uit Den Haag die vanaf maandag terechtstaan in de zwaarbeveiligde Bunker in Amsterdam-Osdorp. Het verhaal over de vader die hem te lijf ging is in de hele wijk bekend en wordt bevestigd door direct betrokkenen. Justitie wil hem en de anderen vervolgen als terroristische organisatie. De groep zou ‘haat hebben verspreid’ en jongeren hebben geronseld voor de gewapende jihad. Zeker 46 Haagse jongeren zijn naar Syrië vertrokken. De meesten komen uit de Schilderswijk, de buurt waar ook veel van de ronselverdachten woonden.

De groep bepaalde de afgelopen jaren het beeld dat de rest van Nederland van de Schilderswijk heeft. Zij organiseerden demonstraties, zwaaiden met zegelvlaggen die door terreurgroep IS worden gebruikt. Ze waren betrokken bij een opstootje op een voetbalveldje, en vorig jaar augustus bij rellen waarbij jongeren uit de wijk stenen gooiden naar deelnemers aan een demonstratie tegen IS.

Minder zichtbaar is hoe de ronselverdachten in de Schilderswijk de islamitische gemeenschap ontwrichten. De Marokkaans-Nederlandse inwoners kennen allemaal wel iemand die naar Syrië is vertrokken. Vraag het maar aan de jongens die in grijze trainingspakken rondhangen voor een Arabisch reisbureau in de wijk: een jongen met wie ze voetbalden, een oude klasgenoot, een verre neef. De 22-jarige Emre, die in halalsnackbar OR Snacks werkt, kent wel acht Syriëgangers. Hij zegt dat er slecht over hen wordt gesproken in de buurt. „Ze zijn daar mensen aan het vermoorden.” Zijn 21-jarige collega Marouane: „Ronselaars moeten opkankeren.”

Tientallen Marokkaans-Nederlandse ouders in de wijk verloren een zoon of dochter. Hun vertrek heeft de Schilderswijk veranderd. Er heerst onderling wantrouwen, schaamte en verdriet.

Kalifaat

Begin je in de Schilderswijk over Syriëgangers, dan schudden bewoners afkeurend het hoofd. Twee jaar geleden was dat wel anders. Toen werd de opstand tegen de Syrische president Assad vooral toegejuicht, en werden Syriëstrijders door een deel van de jongeren in stilte bewonderd. Dat beeld is omgeslagen sinds onthoofdingsfilmpjes van IS circuleren op internet. Ook heerst in Marokko een sterke anti-IS-stemming, die de afgelopen tijd via de schotels tot de Marokkaans-Nederlandse huiskamers is doorgedrongen.

Ouders met een kind in Syrië worden in de Schilderswijk met de nek aangekeken. Een alleenstaande moeder wier beide zonen zijn afgereisd, is „compleet doorgedraaid”, zegt een familielid van haar. „Dag in dag uit is ze verdrietig. Ze wil niemand meer zien, durft niet meer naar Marokko. De familie schaamt zich voor haar.”

Een vader van een Syriëstrijder zei deze zomer tegen familie in Marokko die vroeg waarom zijn zoon niet mee was: „Hij zit in Engeland, hij is lekker aan het wandelen.” Hij durft niet te zeggen dat zijn zoon in Syrië zit. „Ik schaam me dood.” Hij vertelt het hier ook niet aan andere familie of buren van Marokkaanse komaf. Zijn autochtone buurman weet er wel van. „Die vertelt het toch niet door aan Marokkanen.”

Een vader uit de El Mohsinin-moskee, aan de rand van de Schilderswijk, vertelde het moskeebestuur dat hij niet wilde dat andere bezoekers weten dat zijn zoon in Syrië vecht. „Hij is mijn zoon niet meer”, zei de vader. Ook ouders van kinderen die níét in Syrië zitten, maar wel omgaan met radicale moslims, worden hierop aangekeken. „Jouw zoon gaat om met terroristen”, kreeg een vader te horen wiens zoon was gezien bij een demonstratie.

„Deze ouders worden gemeden alsof ze een besmettelijke ziekte hebben”, zegt een vrouw die nauw contact heeft met familie van jongeren die zijn vertrokken. „Buren vrezen dat als ze met hen omgaan, zij óók de AIVD op hun dak krijgen. Ze krijgen het stigma van slechte opvoeders. Ze durven het daardoor bijna aan niemand te vertellen. Ze rouwen in stilte.”

Kelderbox

Bewoners van de Schilderswijk zijn inmiddels alert. Ouders waarschuwen voor ronselaars alsof het kinderlokkers zijn. De ronselaars zouden jongeren zelfs snoepjes geven of geld aanbieden om ze naar Syrië te krijgen. Om kinderen af te schrikken vertellen ouders de meest bizarre verhalen over het kalifaat. Meisjes die niet met een IS-strijder willen trouwen, zouden levend worden verbrand.

Een vader die een jongen verdacht van het ronselen van zijn dochter, maakte een afspraak, vroeg hem in te stappen in zijn auto en deed de portieren op slot. „Wie zijn de mensen die mijn dochter naar Syrië willen sturen?!” De opgesloten jongen wist het echt niet, vertelt hij de krant. Later bedreigde deze vader hem met de woorden: „Ik ga mensen op je afsturen.”

Zoals kinderlokkers die kinderen verleiden met snoepjes nauwelijks bestaan, is de praktijk van het ronselen complexer dan ronselaars die kinderen aanspreken in de schemer.

Neem de groep waarvan een deel nu terechtstaat. In 2012 huurt deze groep moslimjongeren een kelderbox onder een flat vlakbij het Haagse Zuiderpark. De meesten bezochten vroeger de As-Soennah-moskee, maar daar vonden ze de groep te radicaal. Om samen te blijven bidden en discussiëren over het geloof, besluiten ze ‘ondergronds’ te gaan in de kelderruimte. Azzedine C. heeft hier het hoogste woord. De groep is fan van geestelijken die de radicale islam verkondigen, zoals Anwar al-Awlaki. Ze raken onder de indruk van zijn preken. Ze lezen zijn boeken en debatteren over welke jihad gerechtvaardigd is om te voeren. Zo beïnvloeden de leden van de groep elkaar. Opgezweept door de discussies reist het merendeel van de groep af naar Syrië om hun onderdrukte ‘broeders en zusters’ te helpen.

Kon de groep zomaar haar gang gaan? In moskeeën waar ze langskwamen, kregen ze vooral te maken met afkeurende reacties en „vieze blikken”, vertelt een twintiger die enige tijd bij de groep hoorde. „Er was nooit een open discussie waarin tegenargumenten werden gegeven. Moslims keken chagrijnig naar me, door mijn tulband en djellaba. Ze veroordelen. Daarmee werd onze haat alleen maar groter.”

Bestuurders van de moskeeën geven het zelf toe: ze zijn bang voor ronselaars. „Als er jongens komen die we niet kennen, houden we ze in de gaten en luisteren we of ze het niet over slechte dingen hebben”, zegt een bestuurder van de El Mohsinin-moskee. Als blijkt dat het extremisten zijn, worden ze de moskee uitgezet. „Ga maar ergens anders naartoe, zeggen we dan”, vertelt de bestuurder. „Dit hebben we ook gezegd tegen Azzedine en zijn vrienden.”

De moskee stuurde rond 2012 haar eigen imam weg omdat hij de jihad in Syrië en Palestina aanprees, vertelt de bestuurder. Enige tijd na zijn ontslag is hij naar Syrië vertrokken om te vechten. Voor zover bekend is hij de enige Nederlandse imam die dat heeft gedaan.

Ook bestuurders van de grote El Islammoskee in de Schilderswijk weren samenscholende jongeren uit hun moskee. „Je mag ze niet weigeren om te komen bidden”, zeggen voorzitter Ali Belhaj en bestuurder Driss Meroini. „Maar als ze samen gaan smoezen in een hoekje dan worden ze gewaarschuwd. Luisteren ze niet, dan sturen we ze weg. We willen geen problemen in de moskee.”

Een van de mannen die volgende week terecht staat – de 19-jarige Oussama C. – volgde als kind Arabische lessen in de El Islam-moskee. Later, als 16-jarige, zat hij in een jongerengroep van de moskee waarin werd gesproken over zaken als vasten en bedevaart, zegt Driss Meroini. „Ik verzorgde de geluidsinstallatie en hield een oogje in het zeil. Het ging nooit over jihad of Syrië of zo.” Halverwege 2012 verwaterde de groep.

Het is een dilemma voor de moskeeën: door met radicaliserende jongeren te discussiëren houd je ze weliswaar binnen de moskee, maar krijg je andere problemen: politie over de vloer, bezoekers die het niks vinden, media die je omschrijven als ‘haatfabriek’. Dat willen moskeebesturen niet. Daarnaast hebben ze nauwelijks mensen in huis die een weerwoord kúnnen bieden. De oudere Marokkaanse mannen die vaak nog de moskeeën runnen, hebben veel kennis van de rituelen en het gebed, maar zijn niet in staat een politiek-theologische discussie aan te gaan met een radicaal, of spreken nauwelijks Nederlands.

Rasit Bal, voorzitter van moskeekoepelorganisatie CMO, herkent het beeld. „Moskeeën hebben geen goed weerwoord op radicalisering”, zegt hij. Als ze geconfronteerd worden met jongeren die vinden dat zij de ware islam kennen en de rest fout zit, ontbreekt het aan een adequate reactie. „De moskee hoopt maar dat het wegebt, en als dat niet gebeurt wordt zo iemand meestal de deur gewezen.” Het gevolg, zegt Bal, is dat zulke jongens geïsoleerd raken en mogelijk verder radicaliseren.

Vinden moskeeën het niet gevaarlijk, om jongeren weg te sturen die vervolgens geïsoleerd raken? Voelen zij zich verantwoordelijk voor wat er buiten hun moskee gebeurt? De bestuurder van de El Islam-moskee geeft het eerlijk toe: „Onze prioriteit ligt bij onze eigen moskee.”

Undercoveragenten

De Quba-moskee, naast de Schilderswijk, is vrijwel de enige moskee waar de radicale groep wel kon komen. Hoewel imam broeder Ismail zich tegen de jihad in Syrië heeft uitgesproken, waardeert de groep zijn ultraorthodoxe lezingen én het feit dat hij in het Nederlands preekt. Dat kunnen ze tenminste goed verstaan. Maar ook deze moskee besloot vorig jaar een aantal jongeren toegang te weigeren die van plan leken naar Syrië te gaan, bevestigt een bestuurder.

In de Quba-moskee worden de laatste tijd steeds meer bezoekers gesignaleerd die niemand uit de wijk kent. Ze wonen op vrijdag de lezing bij van broeder Ismail en vertrekken weer. Volgens de moskeebestuurder zijn het undercoveragenten. „Ze komen onze bezoekers in de gaten houden.” De bestuurder merkt het tijdens overleg met de politie. „Ze weten meer over mijn moskee dan ikzelf.”

Ook ‘gewone’ orthodoxe moslims worden in de Schilderswijk met steeds meer argwaan bekeken. Moslims die lange gewaden en lange baarden dragen, worden soms aangezien voor potentiële ronselaars. „Er hing laatst een groep jongens rond bij onze moskee”, vertelt El Islam-bestuurder Driss Meroini. „Ze droegen allemaal baarden en djellaba’s. Dan denk je meteen: wat zouden ze willen?”  Toen de groep de moskee inliep om te bidden, hield hij de jongens scherp in de gaten. „We zijn heel bang voor onze kinderen”, zegt hij. Zelfs ouders en kinderen vertrouwen elkaar niet meer, vertellen ingewijden. Ouders verstoppen paspoorten, snuffelen onder bedden en bekijken computers om te controleren of hun kind niet aan het radicaliseren is.

En zo is het onderlinge wantrouwen compleet. De angst maakt van iedereen een verdachte. De onbekende moskeebezoeker is wellicht een geheim agent. De man met een lange baard misschien een ronselaar. De zoon die vaker gaat bidden een Syriëganger. In de Schilderswijk kan iedereen de vijand zijn.

In een eerdere versie van dit artikel werd de imam uit dit stuk Aboe Ismail genoemd. Omdat er een andere imam is die ook zo bekend staat, is dit veranderd in broeder Ismail.