Angstcultuur verlamt recherche

De recherche lijdt al jarenlang aan achterstallig onderhoud. Een studie van de politie die 160 knelpunten vaststelde, verdween in 2011 in een la.

Moordonderzoek in Groningen, afgelopen maand. Foto ANP

Jarenlang heb je als politierechercheur met je informanten in wegrestaurants zitten smoezen over de smokkel van drugs of de heling van gestolen goederen, maar opeens moet alles anders. Het Openbaar Ministerie (OM) wil nu gedetailleerde informatie over jihadisten of cyberterrorisme. Maar je hebt geen idee hoe je als klassiek geschoolde Hollandse rechercheur van middelbare leeftijd de weg moet vinden in dit vreemde criminele milieu.

Het is een van de oorzaken waarom de recherche te vaak steken laat vallen. „Van veel medewerkers in de opsporing zal het niveau fundamenteel verhoogd moeten worden”, schrijft minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) deze week aan de Tweede Kamer. In een nota over de ‘herijking’ van de reorganisatieplannen van de Nationale Politie meldt hij dat verbetering van de opsporing met spoed moet worden gerealiseerd. De hele reorganisatie mag nog drie jaar langer duren maar al vóór 1 mei 2016 komt er een „gedetailleerd kwaliteitsplan” voor de recherche. Zo’n 12.500 van de 50.000 Nederlandse agenten zijn rechercheur.

Psycholoog Nicolien Kop – lector criminaliteitsbeheersing en recherchekunde aan de Politieacademie in Apeldoorn – werkt mee aan het herstelplan. Zij geldt als dé deskundige op het gebied van de opsporing en waarschuwde al eerder voor het „gebrek aan kwaliteit en professionaliteit van recherchemedewerkers”. Bij de recherche is onder meer sprake van „een gebrek aan overzicht en inzicht, een gebrek aan ervaring, analytisch vermogen en gedrevenheid, een te laag kennisniveau en een te laag abstractieniveau”.

Deze conclusies staan in het rapport Recherchetoestanden dat ze in 2011 met collega en historicus Ronald van der Wal op de Politieacademie schreef. Na een rondgang langs ervaren rechercheurs, wetenschappers en officieren van justitie werden er maar liefst „160 knelpunten” in het recherchewerk geïnventariseerd. Het leverde zo’n droef stemmend werkstuk op dat de academie besloot de resultaten niet te publiceren. „We vonden dat het beter was eerst intern de boel op de rails te krijgen”, zegt Kop. Ze praat er nu toch over omdat deze krant een vertrouwelijk exemplaar van de studie in handen wist te krijgen. „Het rapport is nog niet achterhaald. De problemen zijn alleen maar erger geworden.”

Onderwereld

De recherche moet te vaak nee verkopen. Dat geldt in ernstige zaken: zoals de al jaren durende liquidatiegolf in de Marokkaanse onderwereld van Amsterdam die de politie maar niet weet te stoppen. En kleine zaken: een slachtoffer van diefstal vraagt de politie tevergeefs om hulp om via het track device de dader van zijn mobiele telefoon te pakken. De meeste agenten weten zich geen raad met de techniek.

Kop spreekt van jarenlang „achterstallig onderhoud” bij de recherche waardoor er een „digitale generatiekloof” is ontstaan. De toenmalige Utrechtse korpschef Stoffel Heijsman signaleerde het in 2010 voor het eerst. Hij waarschuwde voor de derde crisis in de opsporing. De eerste was in de jaren negentig en ging over de integriteit van de opsporing (toen het IRT-politieteam drugs bleek te importeren). De tweede crisis valt samen met de Schiedammer parkmoord (in 2000, waarbij een verkeerde man werd veroordeeld voor de moord op een kind) en ging over de kwaliteit van de opsporing. De huidige crisis gaat over de effectiviteit. Minder dan een kwart van de geregistreerde misdrijven wordt opgelost. En vier van de vijf criminele organisaties kunnen ongestoord hun werk doen.

De vier jaar geleden in gang gezette reorganisatie van de politie – waarbij 25 regionale korpsen en de landelijke politie opgaan in één nationaal korps – beoogde het opsporingsapparaat slagvaardiger te maken. Dat is nog niet gelukt. „De operatie is zo omvangrijk en leidt tot zo veel interne onrust en stress dat rechercheurs zich vooral zorgen maken over welk werk ze moeten gaan doen. Dat is slecht voor de opsporing”, zegt Kop.

Er zijn bij de politie te weinig cybercrime agenten en specialisten op het gebied van financieel-economische criminaliteit. Ze moeten „versneld worden geworven”, schrijft Van der Steur. Kop verwacht dat deze rechercheurs vooral van buiten de politie moeten komen. „Het gaat hier om terreinen die veel huidige rechercheurs niet aantrekkelijk vinden. Ze zijn bij de politie gegaan om op straat boeven te vangen. Snuffelen in papieren wordt niet het meest sexy onderdeel van de recherche gevonden.”

Aan de papierwinkel heeft de rechercheur toch al een broertje dood. Nadat in de jaren negentig in een parlementaire enquête werd vastgesteld dat veel opsporingsambtenaren wat al te zeer als vrijbuiters tekeer gingen (‘Alles mag wat niet verboden is’), namen de regels en richtlijnen rond het opsporingsonderzoek snel toe. Een ‘aanvalsprogramma’ dat de administratieve lasten moet terugdringen heeft volgens Kop nog niet voldoende verlichting gebracht.

Onzekere tijden

Door alle regels is de politie bang fouten te maken. Het OM is bevreesd voor „een negatief imago”. Kop schrijft in haar studie over een angstcultuur. „Rechercheurs durven het hoofd niet boven het maaiveld uit te steken en dat speelt te meer in deze onzekere tijden van reorganisatie. Je wilt natuurlijk wel graag blijven. Ook al roepen wij steeds dat om lef en moed nog nooit iemand is ontslagen, de angst blijft.” Kop citeert in haar studie een ervaren rechercheur die over zijn collega’s verzucht: „Er wordt in problemen gedacht en niet in oplossingen. Men wil zich op allerlei mogelijke manieren indekken.”

Een ander obstakel in de opsporing is volgens Kop de gebrekkige samenwerking tussen OM en politie. En beide organisaties zijn er bedreven in elkaar hiervan de schuld te geven. „We zien dat verantwoording wordt afgeschoven, waardoor het niet waarschijnlijk is dat er een gezamenlijke oplossing voor knelpunten gevonden kan worden”, aldus Kop. De rechercheur (vaak MBO-niveau) en de officier van justitie (universitair geschoold) spreken elkaars taal niet. In het rapport staat dat magistraten klagen over de juridische kennis van agenten en de rechercheur vindt dat de officier van justitie weinig weet van opsporingsmethodes.

Door werving van nieuw personeel en extra opleidingen hoopt minister Van der Steur de kwaliteit van de opsporing te versterken. Demografische ontwikkelingen bij de politie maken veranderingen relatief makkelijk. „De gemiddelde leeftijd bij de recherche is in het algemeen hoog: flink boven de veertig jaar. In 2020 stroomt zo’n 35 procent uit omdat ze met pensioen gaan. Daar liggen dus ook kansen voor de aanname van jongere rechercheurs die meer affiniteit hebben met nieuwe technieken en sociale media.”