Als we niet rijden mogen, dan lopen we

Door heel Hongarije kwamen gisteren migranten in opstand. De spoorwegen weigeren hen te vervoeren. Er ontstond een reusachtige mars vanuit Boedapest naar de Oostenrijkse grens.

Migranten protesteren bij Bicske. Foto’s AFP/ap/reuters/epa

Voorop loopt een man met een kruk. Zijn stijve rechterbeen bepaalt het tempo. Daarachter, de massa: Syriërs, Bengali’s, Pakistanen, Irakezen, vrouwen, mannen, meisjes, jongens. Zijn ze met duizend, of tweeduizend, of drie? Het is moeilijk in te schatten te midden van de stroom die zich voortbeweegt over de breedte van een afrit en de vluchtstrook van de autosnelweg tussen Boedapest en Wenen.

De mars van de migranten richting Oostenrijk begon enkele uren eerder bij het Ooststation in Boedapest. Met megafoon in de hand beenden mannen door de ondergrondse gangen naar de metro, waar enkele duizenden migranten al dagen vastzitten omdat ze niet op internationale treinen kunnen richting West-Europa.

Even na de middag baant de menigte zich een weg door het centrum van de stad richting autosnelweg, de avondspits naar het westen in hun kielzog. „Meneer Orbán, laat het Syrische volk gaan!”, schreeuwt een man met een rood T-shirt door zijn megafoon op het laatste drukke kruispunt voor ze de Donau over trekken.

Iets meer dan twee uur later is de groep al bij Budaörs, tien kilometer verderop. Abd, een 18-jarige Syriër, heeft wel even tijd voor een praatje, zegt hij, terwijl hij water aanneemt van enkele Hongaarse vrijwilligers die de migrantenmars stonden op te wachten. Een familienaam wil hij niet geven, maar wel een eindbestemming: Nederland. „Want Duitsland zit al vol. In Nederland wil ik mijn studie computerwetenschappen afmaken. Ik behaalde de negende plaats op het algemeen examen in Syrië.”

Blakende zon

Abd en zijn reisgezellen waren niet de enigen die gisteren het heft in eigen handen namen. Door heel Hongarije kwamen gestrande migranten in opstand. Terwijl Abd en zijn reisgezellen doorstapten onder een blakende zon, ontsnapten in het zuiden van het land driehonderd vluchtelingen uit een overbevolkt tentenkamp in het grensdorp Röszke.

En 30 kilometer van Budaörs, in het station van Bicske, baanden 350 andere vluchtelingen zich een weg door het politiecordon rond de trein waarin ze zich sinds donderdagochtend verschanst hadden. Zo trachtten zij te voorkomen dat ze werden afgevoerd naar een nabijgelegen vluchtelingenkamp. Volgens de Hongaarse autoriteiten kwam daarbij een man om het leven: hij zakte in elkaar op het spoor.

Open kamp

„Deze mensen weten niet wat er daar met hen zal gebeuren”, zegt Zsuzsanna Zsohár van vluchtelingenhulporganisatie Migration Aid in het station van Bicske. „Bicske is een open kamp waar ze een bed en douche zouden krijgen en na twee of drie dagen alweer weg kunnen. Dan kunnen ze zich vrij bewegen binnen Hongarije.” Zsohár stapt in de richting van de goederentrein die grotendeels het zicht beneemt op de trein waarin de migranten zitten. In doventaal maakt ze een jongen op de trein duidelijk dat het kamp géén gevangenis zal zijn.

Even na zessen geven de passagiers die nog achtergebleven zijn in de trein gehoor aan de oproepen om hun plekken te verlaten. In groepjes, omringd door agenten van de oproerpolitie in volle uitrusting, stappen ze uit de spoorwegtunnel en in de bussen die hen naar het nabijgelegen vluchtelingenkamp zouden brengen. Achter de ramen van de bus zwaaien kinderen gelaten naar de televisiecamera’s.

Ook de mars zal dicht in de buurt van Bicske komen. De wandelaars weten wat daar gebeurt. „Hongaarse politie: heel slecht”, zegt Mohammad, een Syrische jongen die even uitrust op een vangrail. Ook Abd bekent wel een beetje bang te zijn voor de politie die hen escorteert met auto’s en motoren. „Ik hoop dat ze ons niet naar een kamp sturen.”

Maar dat zal wel niet, denkt hij. „Binnen twee dagen zijn we in Oostenrijk!”

    • Roeland Termote