opnieuw

Fotograaf Ad Nuis en auteur Arthur van den Boogaard maken eens in de twee weken een foto ‘opnieuw’ en belichten de tijd ertussen.

Art-director Martin Keppy (54, links) zat zomer 1964 met broer Herman (55, journalist) in de achtertuin van hun grootouders aan de Amsterdamse Willem Leevendstraat 5 huis.

„We zaten op de schuine rand van de kolenkelder. Herman hield me vast, zodat ik niet naar beneden gleed. Vandaar ook die moeilijke blik; hij keelde me bijna. Herman was de vierde van acht kinderen, ik nummer vijf. Mijn vader, geboren op Java, was als oud-marinier in het Nederlandse leger in 1951 als verstekeling op een schip gevlucht naar Nederland. Via Markelo kwam hij in Amsterdam-West terecht. Daar maakte hij kennis met mijn moeder Liesje, 17 jaar en het mooiste meisje van de buurt. Ze viel voor zijn vetkuif en na hun eerste kind volgden er in sneltreinvaart meer. Hij werd monteur, maar in zijn hoofd bleef hij marinier. Dat drukte op het gezin. We woonden met z’n tienen op nummer twaalf en Herman en ik werden vaak naar oma Boon gestuurd. Opa Boon, een beer van een vent, kende als postbode iedereen, was handig en betrouwbaar: een beetje de buurtburgemeester. Als er brand was, riepen ze hem, niet de brandweer.

Later namen de vijf broers Keppy die rol over. Vanwege onze huidskleur moesten we ook vechten. Gelukkig waren we sportjongens. Herman was een uitstekende basketballer, ging zelfs naar Amerika. Ik bokste bij ABOV. Mijn jeugd was niet makkelijk. Thuis voelde ik me beklemd. Zodra het kon, op mijn achttiende, verliet ik het ouderlijk huis en ging naar de Rietveld Academie. Toch keerde ik terug in de buurt. Inmiddels woon ik alweer ruim dertig jaar in dezelfde straat op nummer zestien. Soms komt Herman op bezoek. Dan kijkt hij altijd even naar het oude huis van oma en opa Boon.”