Xenofoob

De nazomeravond kwam als een geschenk en mijn vriend J. en ik zaten op een terras in een zijstraat van de Zeedijk. Het liep al tegen twaalven. We verbaasden ons over de aanhoudende stroom toeristen die zich door de binnenstad wurmde, als trekmieren op gympies. Er kwam geen einde aan, het leek wel of die buitenlanders nooit meer naar bed zouden gaan en altijd hier door de krochten van het Wallengebied zouden dolen. Toch had het wel wat, vond ik: wij op dat terrasje, niet meer dan een paar stoelen op een stoepje, verderop de schuifelende menigte in een stad die leek te bezwijken onder de mensen uit alle windstreken die 24/7 onder de mensen willen zijn. Een manifestatie van de moderne onrust. Van een wereld op drift. „We zitten er middenin”, zei ik opgewekt, terwijl ik de parade van stelletjes, gezinnen en aangeschoten twintigers observeerde. Maar J. zei grimmig: „Ik word hier gek van.”

J. is een verstandige vijftiger, hij stemt op nette partijen en oefent een keurig beroep uit. Als stereotype centrumbewoner is hij hoogopgeleid — en zit hij vol ongenoegen over de meer dan 15 miljoen toeristen en dagjesmensen die Amsterdam jaarlijks bezoeken. Je zou J. een representant van een nieuw fenomeen kunnen noemen, de rancuneuze grachtengordel. Mij lukt het tenminste niet meer een inwoner van de binnenstad te ontmoeten die niet binnen een kwartier begint te klagen over, nou ja, die buitenlanders. Vooral de toon waaróp is boeiend. De zinnen beginnen altijd van, ‘ik begrijp best dat Amerikanen en Chinezen deze stad leuk vinden’, om daar een cruciale ‘maar’ op te laten volgen, en iets wat qua ergernis en boosheid doet denken aan de arbeiders van vroeger. Aan de bewoners van de 19de-eeuwse wijken die zich bedreigd voelden door de komst van gastarbeiders in hun o zo gezellige blanke wijkje. ‘Best goed dat Amsterdam zo aantrekkelijk is voor toeristen’, klinkt het anno 2015, ‘maar’ — blik vloeit van begripvol naar grimmig — ‘waarom komen ze allemaal naar de grachtengordel? Het wordt steeds gekker.’

En het stadsbestuur maar doorgaan met het lokken van toeristen. Het succes van de citymarketing bezorgt de centrumbewoner de trekken van een schlemiel: in de steek gelaten door de Hoge Heren, angstig voor de toekomst. Nog even en de centrumbewoner is een regelrechte xenofoob, dromend van plekken vol rust en ruimte, zonder rijen vreemdelingen voor de musea en het Anne Frank Huis, en, vooral dat, zonder dat irritante gestuntel op huurfietsen. Het dédain waarmee het woord ‘huurfietsen’ wordt uitgesproken vind ik fascinerend. Hoe meer buitenlanders de Amsterdammer ziet zwabberen door De Negen Straatjes, hoe verhevener hij zich voelt. De huurfiets is de hoofddoek van de toekomst.

Zaniken is altijd al een Amsterdams trekje geweest, en nu is de bevoorrechte kaste aan de beurt om zich onbegrepen te voelen. Op feestjes gaat het na enkele plichtmatige opmerkingen over Griekenland en de vluchtelingenkwestie al snel over iets wat de aanwezigen écht raakt: het alom tegenwoordige geluid van rolkoffertjes. En dat ‘ze’ daar iets aan moeten doen.

Lange tijd predikte de centrumbewoner de tolerantie; nu zit hij in de hoek waar de klappen vallen en wordt zijn verdraagzaamheid op de proef gesteld. Mijn vriend J. denkt aan verhuizen.

    • Auke Kok