Valse profeten in Darwins kielzog

In 1907 wilde de Nederlander Herman Marie Moens apen met mensen kruisen om de evolutietheorie te bewijzen. De koninklijke familie gaf er geld voor.

Bernelot Moens met meisjes uit Washington. Foto uit zijn boek 'Towards Perfect Man', 1922 Foto Moorland-Spingarn Research Center, Howard University

In 1907 vatte de Nederlandse ex-leraar biologie Herman Marie Moens (1875-1938) het plan op om chimpansees te kruisen met mensen. Door het zaad van een ‘neger’ in te brengen bij een chimpanseewijfje hoopte hij de ontbrekende schakel te creëren tussen de mens en de ‘antropomorfe aap’ waarvan de de mens volgens hem afstamde. Hiermee zou hij het bewijs leveren voor de juistheid van de evolutietheorie, geloofde hij.

Voor zijn onderneming vroeg Bernelot Moens, zoals de ex-leraar zichzelf noemde, subsidie aan koningin Wilhelmina. De minister van Binnenlandse Zaken, naar wie de aanvraag werd doorgestuurd, zag er niets in. Maar Wilhelmina besloot Moens’ onderzoek persoonlijk te ondersteunen. Ze haalde haar moeder, prinses Emma, en haar echtgenoot, prins Hendrik, over hetzelfde te doen.

Toch was Wilhelmina niet bijzonder geïnteresseerd in de evolutietheorie. Ze hielp Moens omdat hij als nevenproject van zijn kruising een geneesmiddel tegen syfilis wilde ontwikkelen, onthult historicus Piet de Rooy in De Nederlandse Darwin. Prins Hendrik leed aan syfilis, zo is de overtuiging van De Rooy.

Het leven van de zonderlinge halve wetenschapper Moens is een soort hobby van De Rooy, die vorig jaar het veelgeprezen Ons stipje op de waereldkaart publiceerde over de politieke geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden. In 1991 schreef hij over Bernelot Moens al Op zoek naar volmaaktheid. Maar in het digitale tijdperk zijn zo veel nieuwe gegevens over Moens uit archieven naar boven gekomen dat De Rooy er nu met fijne ironie en een goed gevoel voor smeuïge anekdotes een tweede boek over heeft geschreven. Op zichzelf is het leven van Moens niet wereldschokkend. ‘De Nederlandse Darwin’ heeft niet veel betekend voor de wetenschap. Al bij zijn plan om aap met mens te kruisen wees de Franse antropoloog Mahoudeau er terecht op dat Moens op het verkeerde spoor zat. Zo’n kruising zou immers nooit ‘het verdwenen type opleveren, van waaruit de afstammingslijnen van mensen en apen uit elkaar zijn gaan lopen’.

Toch is De Nederlandse Darwin meer dan een curiosum. Van Rooy wil met zijn boek laten zien ‘hoe moeilijk het is om onderscheid te maken tussen valse profeten en mensen met een vooruitziende blik’. Dat is hem uitstekend gelukt.

Moens levenswandel is aanleiding om te schetsen tot welke vaak onwetenschappelijke opvattingen over rassen en het verschil tussen mens en aap Darwins baanbrekende The Origin of Species uit 1859 leidde. De Rooy neemt de lezer mee naar de wondere wereld van schedelmeters en onderzoekers die in de Afrikaanse oerwouden zoeken naar een ‘tussenras’. Ook laat hij uitgebreid lezen hoe het debat over het verschil tussen mens en aap al tijdens de Verlichting verstrengeld raakte met racisme: ‘Blanken beschouwden zich als „the measure of mankind” door eigen beschavingsarbeid dan wel door goddelijke ordinantie als het ware verheven boven de natuur’.

Moens geloofde niet in de superioriteit van het blanke ras. Nadat zijn plan voor de kruising van mens en aap niet van de grond was gekomen, vestigde hij zich in 1914 in de Verenigde Staten. Hier werd hij getroffen door de rassendiscriminatie. Zijn streven om een nieuwe mensaap te fokken maakte plaats voor een pleidooi voor rassenvermenging. Uit ‘raciale kruising’ zou de volmaakte mens ontstaan, dacht hij.

Om zijn pleidooi wetenschappelijke kracht te geven, zocht hij 'atavistische types’ die lieten zien hoe de ideale mens ongeveer zou worden. Die zocht hij vooral op scholen voor zwarte meisjes in Washington DC. Hij begon ze te fotograferen, het liefst naakt. Uiteindelijk raakte hij hierdoor in moeilijkheden. Hij werd aangeklaagd wegens de vervaardiging van pornografie en de ‘beroving van de eer’ van meisjes. Het proces groeide uit tot the Moens Affair, waarmee vooraanstaande antropologen zich bemoeiden. Zo werd ‘de Nederlandse Darwin’ ondanks zijn wetenschappelijke onbeduidendheid een ‘katalysator in een paradigmawisseling’ in het antropologische debat over nature vs. nurture’.