Niet te missen, deze ‘Butterfly’

Annemarie Kremer toont compromisloze vocale straalkracht als Cio-Cio-San in‘Madama Butterfly’ Foto Marco Borggreve

Een bewogen geschiedenis is het, die van de Nederlandse Reisopera. Dat het gezelschap bij de oprichting in 1955 net zo heette is wat dat betreft bedrieglijk. De tussenliggende decennia waren roerig en de huidige status van het gezelschap is dat nog. Maar directeur Nicolas Mansfield slaagde er wel in het gezelschap na de subsidiekrimp van 2012 (60 procent minder) te doen herrijzen als het low budget-high potential-productiehuis dat het nu is. Over de Reisopera wordt gesproken.

Ook de jubileumvoorstelling van Puccini’s Madama Butterfly ontstond niet zonder slag of stoot, maar was gisteravond, in het bijzijn van koning Willem-Alexander, een enorm succes – in alle opzichten.

Regisseur Laurence Dale beende Butterfly maximaal uit, en als er één opera is die ook weinig nodig heeft, is het deze wel. Als afficionado van de effectieve ensceneringskunst van Peter Brook geeft Dale het verhaal wat nodig is om maximaal te schuren: begrip, ruimte en contrast. Het decor bestaat slechts uit een roterende rots in de vorm van een voorplecht. Daarop arriveert B.F. Pinkerton, geflankeerd door shirtloze matrozen die een duim opsteken naar hun kapitein, die met een ‘huwelijkscontract’ met een 15-jarige heeft geritseld voor de nacht.

De rest is bekend: Pinkerton geniet zijn nacht (intens liefdesduet) en laat zijn ‘vlindertje’ dan achter om in Amerika een echt huwelijk te sluiten. Maar zij wacht drie jaar en voedt hun kind op, dat ze – o horror – ‘Smart’ noemt, om hem op de dag van Pinkertons terugkomst in ‘Vreugde’ te herdopen. Áls hij dan komt, met zijn ware vrouw, pleegt ze harikiri en gunt hem het kind.

Kitsch en ontroering kunnen elkaar nauw raken, en Puccini was zo’n meester in het etsen en kleuren van emoties dat gisteren op meer plaatsen in de zaal luid gesnotter klonk. Alle componenten droegen ook bij aan de kracht van de voorstelling. Uiterlijk: het decor en de belichting, met een poëtisch woud van oplichtende, glazen bellen tijdens de liefdesnacht. In de bak: het onder Timothy Henty zowel bij de strijkers als blazers warmbloedig spelende mixorkest van musici uit Het Gelders en HET Symfonieorkest.

In de cast miste invaltenor Sergio Escobar (Pinkerton) lyriek in de hoogte, maar verder muntten alle zangers – ook het koor Consensus Vocalis – uit in karakter en/of kleur. Warm, fraai en empathisch waren Qiu Lin Zhang (Suzuki) en Roderick Williams (consul), maar de grootste triomf was voor Annemarie Kremer in de titelrol.

Sopraan Kremer is geen prille Cio-Cio-San; in timbre en présence is ze (ondanks overvloedige giechelgebaartjes) meer een Tosca, Norma of Marschallin. Maar daar wen je aan. En dan rest een Butterfly die je met compromisloze vocale straalkracht meesleurt naar het eind. Niet te missen, deze Butterfly. En voor wie nooit een opera zag, is dit een ideale instapvoorstelling.