Na de mannen komen de honden komen de ossen

Bij het Braziliaanse stadje Manirema vestigt zich een groep onbekende mannen. Ze houden afstand tot de bevolking. Dan wordt het stadje overspoeld door een roedel honden, afkomstig van de vreemde nederzetting. Die zijn nog niet vertrokken, of hun plaats wordt ingenomen door ossen: honderden, duizenden ossen. De mensen kunnen de straat niet meer op, zelfs in hun huizen dringen ze binnen. Tot ook de ossen plotseling verdwijnen, en de vreemde mannen mèt hen. Het leven herneemt zijn gewone loop. ‘De uren keerden terug, allemaal, de goede en de slechte, zoals het hoort.’

Zo beëindigt de Braziliaanse schrijver José Veiga zijn novelle De drie plagen van Manirema. Mannen, honden, ossen: dat zijn de bezoekingen die het stadje uit balans brengen en waar de inwoners zich zo goed en zo kwaad als het gaat naar schikken. Sommigen gooien het met de vreemde mannen op een akkoordje, anderen blijven wantrouwend; een verliefde jongen wordt door hen vastgehouden en mishandeld, zijn geliefde papt een tijd lang met hen aan.

Veira balanceert kunstig tussen het absurdisme van de ‘drie plagen’ en het al te banale leven van de inwoners van Manirema, met hun eigenaardigheden en soms exotische gewoonten. Noem het magisch realisme, noem het een bizarre variant op de tropische streekroman. Eminent leesbaar is De drie plagen van Manirema zeker, wereldschokkend nauwelijks.

Zijn faam ontleent het boek aan zijn verschijningsdatum, zo legt vertaler Harrie Lemmens in zijn nawoord uit. In 1964 pleegde het Braziliaanse leger een staatsgreep en zou twintig jaar aan de macht blijven. Twee jaar later publiceerde Veira zijn roman, die prompt gelezen werd als een allegorie op de militaire dictatuur. Subtiel genoeg om tussen de censuur door te glippen. En net zo toevallig, want Veira had zijn boek al vóór de staatsgreep afgerond.

De Franse filosoof Jacques Derrida betoogde dat alles wat wij zeggen een betekeniskracht heeft die onze bedoelingen overstijgt. We weten nooit wat onze woorden in toekomstige omstandigheden kunnen inhouden. De drie plagen van Manirema is daar een prachtig voorbeeld van. Toen het verscheen betekende het al iets anders dan toen het geschreven werd.

Wij zijn geen Brazilianen en leven niet onder een militaire dictatuur. Allegorisch wordt het verhaal van Viera pas dankzij Lemmens informatieve nawoord. Begrijpen wij het daardoor minder goed? Die vraag is, zou Derrida zeggen, onbeslisbaar. Onomstreden is wèl een andere vaststelling: De drie plagen van Manirema is knap en onderhoudend geschreven; ook zonder allegorie vertelt het een intrigerend verhaal. Daar moeten we het in Nederland maar mee doen.