Ketelbinkie komt niet meer

Waar kan de moderne zeeman tegenwoordig aan de zwier? Wim de Jong zocht het uit.

Café De Ouwehoer aan het Deliplein op Katendrecht, de buurt waar vroeger de raamprostituees zaten. Foto Imara Angulo Vidal

De aloude zeemansgewoonte om in elke havenstad op zoek te gaan naar drank, hoeren, een nieuwe tattoo en een stevige knokpartij behoort vrijwel tot het verleden. Matrozen en stuurlui als die van de Energizer krijgen allang de tijd niet meer om te gaan ‘passagieren’. In Rotterdam zijn ze voor dergelijk vertier bovendien ook op de verkeerde plek. Op een enkele seksclub na heeft de stad de ‘zwierzoeker’ weinig of niets te bieden.

‘Even de beentjes strekken’, heette het vroeger eufemistisch, of ook wel: ‘zwierzoeken’ en ‘schieten in de oude wijken’. Allemaal in onbruik geraakte zeemanstaal voor ‘passagieren’, die op zichzelf ook al bijna vergeten term voor wat Van Dale omschrijft als „(van zeelui) voor ontspanning aan wal gaan”. Wat die ontspanning voor de gemiddelde matroos en stuurman tot voor enkele decennia geleden veelal behelsde, is in ons collectief geheugen beter blijven hangen. ‘In elk stadje een ander schatje’, wist de brave burger er op zijn minst van. ‘Keilen, gokken en hoeren’, vatte prostituee Antje Schilder, alias de Koningin van Katendrecht, het in Het Vrije Volk ooit samen.

En vroeger wérd er gepassagierd. Rosse buurten als de Zandstraat, de Schiedamse Dijk en De Kaap (Katendrecht) genereerden de hele vorige eeuw een eindeloze stroom van steeds hetzelfde krantennieuws: zeeman beroofd, zeeman betrokken bij vechtpartij, zeeman gestoken, zeeman dronken in haven gevallen, zeeman verzopen. Tussen die bedrijven door pakten Ketelbinkie en consorten dan ook nog een of meer ‘schatjes’ mee. In 1972 waren er 105 ‘kasten’ op Katendrecht en 300 geregistreerde prostituees.

Antje Schilder maakte de hoogtijdagen van het Rotterdamse passagieren nog mee: „Ik kwam begin jaren vijftig op de Kaap, ik was achttien en nog een kind. Eigenlijk had ik als meisje maar één wens, dat was verpleegster worden. Ik wou mensen goed behandelen. Nou ja, het zijn uiteindelijk alleen maar mannen geworden.” Aan de noordzijde van de Nieuwe Maas werd ‘gevigileerd’ (getippeld). Voor de deuren van de Habanera, l’Ambassadeur, de Cascade en de Spidobar werden ‘nachtbinken aangeslagen’: voor veertig gulden extra regelde een zeebonk ook zijn overnachting in een peeskamer.

Een wat onschuldiger adres om te belanden, was De Rode Papegaai op de Witte de Withstraat. Een pijpenla waar je een biljet van tien gulden op de tapkast legde en op de dansvloer dan één liedje lang in de armen van een Colombiaanse schone mocht doorbrengen. De tent sloot toen de Witte de With dertig jaar terug aan zijn lange opmars als nétte uitgaansstraat moest beginnen. Sindsdien resten Jan de Zeeman eigenlijk alleen nog zo’n beetje de OQ op de ’s-Gravendijkwal en wat animeerbarretjes op de Scheepstimmermanslaan. Het hoger echelon van de koopvaardij zal allicht liever kiezen voor de White’s op de Westzeedijk, naar verluidt een van de duurste vaderlandse etablissementen in het segment.

Nóg waarschijnlijker is dat er in en rondom die allerlaatste huizen van vertier in Rotterdam niet of nauwelijks meer wordt gepassagierd. Nee, bij het gemeentelijk havenbedrijf weten ze er officieel uiteraard het fijne niet van. Maar sommige ontwikkelingen mogen voor zich spreken. In Europa’s grootste haven is de gemiddelde verblijfsduur van een schip inmiddels maar anderhalve dag, en ook dan gaat het harde werk toch wel 24/7 door. En voor de allereenzaamste momenten zijn er aan boord flatscreens en dvd’s.

Daarbij: nu vrijwel alle havenactiviteiten zich in Botlek, Europoort en Maasvlakte concentreren, is stappen in Rotterdam geen kwestie meer van ‘even de benen strekken’, maar een verre en dus kostbare rit per taxi. Waar die taxi de zeeman van nu ook nog heen kan brengen, het ‘passagieren’ zal in niets meer lijken op wat collega’s van hem ooit op de Kaap aantroffen. Dikke kans dat het ‘gewoon’ de OQ wordt. En dikke kans ook dat hij er ‘gewoon’ op een vrijgezellenavond van allemaal Barendrechters belandt, met een paaldans of lapdance als gezamenlijk hoogtepunt.

    • Wim de Jong