Hoe boerderijstof kinderen kan beschermen tegen astma

Kinderen die opgroeien op de boerderij hebben minder vaak allergieën of astma. Een molecuul met de naam van een snelweg speelt daarbij een rol: A20.

Kinderen geven koeien te eten tijdens de Lammetjesdag op boerderij De Boerinn in Kamerik. Boerderijstof beschermt hen misschien tegen ziekten. Foto ANP, Bas Czerwinski

Eén dosis ‘boerderijstof’ is voldoende om te voorkomen dat laboratoriummuizen allergisch worden voor huisstofmijt. Dat was de cruciale proef die immunoloog Bart Lambrecht (Universiteit Gent en Erasmus MC Rotterdam) uitvoerde. Het leidde tot de ontdekking van een moleculair mechanisme dat bescherming biedt tegen allergie en astma. Ook bij mensen lijkt dit een rol te spelen. Het leverde Lambrecht vandaag een publicatie in Science op.

De ontdekking geeft voor het eerst een moleculaire verklaring voor de geldigheid van de zogeheten hygiënehypothese. Die stelt dat de oorzaak van de toename van allerlei allergieën, astma en autoimmuunziekten gezocht moet worden in het steeds ‘sterielere’ leven van opgroeiende kinderen. Contact met bacteriën in de vroege jeugd zou juist goed zijn, omdat dit het afweersysteem goed afstelt. Daardoor zou het later in het leven niet zo makkelijk meer ontsporen door zich tegen de verkeerde prikkels te richten.

De hygiënehypothese kwam in zwang na een publicatie van de Britse epidemioloog David Strachan in het British Medical Journal in 1989, en er werd herhaaldelijk steun voor gevonden in epidemiologisch onderzoek. In één van die studies, uitgevoerd in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, bleek dat kinderen die opgroeiden op melkveebedrijven bijna geen hooikoorts hadden en veel minder vaak astma, in vergelijking met kinderen in dezelfde regio die in een dorp woonden.

Bart Lambrecht zocht samenwerking met de leider van dit onderzoek, Erika von Mutius van de Ludwig Maximilians-universiteit in München, om het moleculaire mechanisme hierachter te ontrafelen. De prikkeling van het immuunsysteem gaat nooit rechtstreeks, vertelt Lambrecht aan de telefoon: het heeft instructies nodig van een cel die in contact staat met de buitenwereld. „De cruciale eerste stap in het ontwikkelen van resistentie tegen allergie blijkt niet in het afweersysteem zelf te zitten, maar in de epitheelcellen die de binnenkant van de long bekleden”, zegt Lambrecht. „De epitheelcellen reageren op de blootstelling van endotoxinen, waardoor de zogeheten dendritische cellen van het immuunsysteem veranderen.”

De onderzoekers bestudeerden wat er veranderde aan de activiteit van genen in long-epitheelcellen van muizen na blootstelling aan boerderijstof. Bij tientallen genen veranderde er iets, en één daarvan vonden zij extra interessant: een molecuul met de naam van een snelweg, A20. Van A20 was bekend dat het een rol speelt in ontstekingen. Het bleek een gelukkige greep: toen de onderzoekers A20 bij muizen uitschakelden, beschermde boerderijstof niet langer tegen astma.

En van hetzelfde gen waren mutaties bekend bij de mens. Kinderen die op een boerderij woonden en desondanks astma hadden, bleken inderdaad vaak mutaties in A20 te hebben. Lambrecht denkt nu dat hij een methode op het spoor is waarmee allergie en mogelijk meer afweerstoornissen te voorkomen zijn. Moeten we kinderen dan laten ‘kuren’ op de boerderij? „Die richting gaat het zeker uit”, zegt Lambrecht enthousiast. „Ik ben voor een nieuwsitem over ons onderzoek voor de Belgische televisie naar een Nederlandse boerderij geweest, waar de melkveehouderij gecombineerd wordt met een kinderdagverblijf en een crèche. Het lijkt mij goed voor kinderen om daar een dag of twee in de week te zijn.”

„Ho! Niet zo snel!”, reageert epidemioloog Onno van Schayck van Maastricht UMC. „Laten we nu alsjeblieft niet gaan denken dat kinderen die hun handen niet meer wassen of die niet meer ingeënt worden tegen infectieziektes uiteindelijk beter af zijn. Dan zouden we tweehonderd jaar preventieve kennis in de geneeskunde in de prullenbak gooien!” Het is mooi onderzoek, zegt hij, maar dit is niet het bewijs dat de hygiënehypothese klopt. Van Schayck is al jaren kritisch over de bewijsvoering voor deze hypothese en wijst erop dat je in de epidemiologie altijd verdacht moet zijn op verstorende invloeden. „We hebben eerder aangetoond dat mensen die al aanleg hebben voor allergie geen boer worden. Dan heb je dus te maken met een voorgeselecteerde groep en trek je de verkeerde conclusie over een niet bestaand verband van omgeving en ziekte.”

Maar Lambrecht kan zich niet vinden in de kritiek van Van Schayck: „We hebben toch laten zien dat boerderijstof dieren beschermt tegen astma en dat het effect weg is zonder het molecuul A20? Dat is wel degelijk een causaal verband.” „Bij muizen ja”, zegt Van Schayck, „Dat wil niet zeggen dat het bij mensen hetzelfde is.”

Immunoloog Esther de Jong van het AMC in Amsterdam vindt het onderzoek van Lambrecht „prachtig”, maar tempert zijn enthousiasme wel dat nu een middel zou zijn gevonden om astma te voorkomen. „Muizen kunnen we nu heel goed genezen, ja”, zegt De Jong, „Maar je kunt je moeilijk voorstellen dat ouders toestaan dat hun pasgeboren kinderen hoge en lage doseringen bacterietoxine toegediend krijgen om te kijken of het werkt tegen allergieën. Dat is veel te risicovol.”

Ook epidemioloog Dick Heederik van de Universiteit Utrecht denkt dat het „nog veel te vroeg” is om nu massaal kinderen naar het platteland te sturen. Eerst moeten er veel meer details over het mechanisme worden opgehelderd, zegt hij. „Ja, het ontdekte stofje A20 levert een bijdrage aan het ontstaan van allergie, maar zeker in de immunologie moet je je altijd afvragen of er niet méér mechanismen in het spel zijn.”

Welke componenten in het boerderijstof verantwoordelijk zijn voor het beschermende effect is ook nog de vraag. Lambrecht toonde aan dat endotoxine, een stof afkomstig van dode bacteriën en volop aanwezig in droge koemest, even goed beschermde als boerderijstof. Maar er zijn meer kandidaten, inclusief levende bacteriën die de samenstelling van de bacterieflora bij kinderen zouden kunnen beïnvloeden en daarmee ziekten voorkomen.

    • Sander Voormolen