Het geloof in de nazitrein kreeg vleugels

Op zoek naar een nazitrein vol goud zijn schatgravers, journalisten en mijnenvegers neergestreken in de bossen rond het Poolse stadje Walbrzych. „Misschien is dit wel ons monster van Loch Ness.”

Hier ligt de trein, zeggen schatgravers

Boven het omvangrijke netwerk van tunnels dat de nazileiders op het einde van de Tweede Wereldoorlog lieten aanleggen rond slot Fürstenstein, staan verwaarloosde en verlaten fabrieken in een bosrijk, schilderachtig heuvellandschap. Het kasteel zelf, dat sinds inlijving bij Polen van het gebied de naam Ksiaz draagt (spreek uit: kshonz), is opgeknapt en verdringt in toeristenfolders de vaalgele en grijze betonnen flats van het naburige Walbrzych.

Dat stadje ligt midden in Europa, is hemelsbreed even ver weg van Kiev, Calais, Rome en Oslo en telt 120.000 inwoners. Eeuwenlang heette het Waldenburg. De hoge en vooral brede naoorlogse flats staan inspiratieloos achter elkaar, als windschermen op een verlaten strand.

Het gebied is arm. Het dieptepunt lag zo’n vijftien jaar geleden, toen er nog geen regelluwe en belastingarme ‘vrije economische zone’ was geopend die buitenlandse bedrijven als Toyota heeft gelokt. Alle verliesgevende kolenmijnen waren gesloten, waarna ontslagen mijnwerkers op eigen houtje gingen graven naar kolen. Dat is verleidelijk in deze zuidwestelijke hoek van Polen, omdat de kolenvoorraden hier dicht onder het bodemoppervlak liggen. De sporen in het landschap die dit illegale graven hebben achtergelaten heten ‘biedaszyby’, ofwel: ‘armoedeschachten’.

De hoop op betere tijden bleef levend door een hardnekkig gerucht, of zelfs legende, over grootse rijkdommen in de grond duizend keer waardevoller dan kolen. In de januarimaand van 1945 zouden één of twee treinen volgeladen met goud en andere oorlogsbuit zijn vertrokken uit Breslau, het huidige Wroclaw. Die treinen zijn nooit ergens aangekomen. Omdat in de omgeving van Walbrzych, 65 kilometer ten zuidwesten van Wroclaw, dwangarbeiders en gevangenen van het concentratiekamp Gross-Rosen een omvangrijk netwerk van tunnels hadden gegraven, was het geloof snel geboren: de treinen zitten verstopt in die tunnels.

Sterfbed

Twee weken geleden kreeg dit geloof vleugels. Twee mannen, een Pool en een Duitser, bleken via hun advocaat contact te hebben opgenomen met de plaatselijke autoriteiten. Op zijn sterfbed had iemand hen verteld, aldus de advocaat, wat de exacte locatie is van de trein. De twee, die anoniem bleven, waren bereid die kennis te delen, op voorwaarde dat zij tien procent krijgen van de buit.

Een week later voegde zelfs een hoge afgevaardigde van de wereldlijke autoriteiten zich bij het snel groeiende leger gelovigen. Staatssecretaris voor cultureel erfgoed Piotr Zuchowski verklaarde op nationale televisie dat hij na het zien van beelden die gemaakt zijn door een bodemradar „99 procent zeker” was dat het „echt” om „de goudtrein” gaat. Zuchowski beweerde zelfs dat hij op de beelden afweergeschut had gezien, geplaatst op de gepantserde trein: „Dit kent geen precedent. Tot nu toe hebben we alleen tanks en pistolen gevonden, nu is er een trein langer dan 100 meter.”

De opwinding en stelligheid van de nationale politicus leidde tot een invasie van Walbrzych. Honderden schatgravers doken de bosrijke heuvels in op zoek naar de ‘goudtrein’. Tientallen journalisten, uit landen zo ver als Japan, interviewden op hun beurt die schatgravers. Op tv verschenen mannen gekleed als Indiana Jones, de Hollywoodcreatie van Steven Spielberg en George Lucas. Gleufhoed op het hoofd. Ze legden treinkaarten van voor de oorlog op autokappen en bespraken verdacht ogende vegetatie langs de spoorlijn.

Vragen om ongelukken

Bij de Spoorwegen maakten ze zich zorgen. Zoveel mensen was vragen om ongelukken, want in dit gebied kun je een trein niet van verre zien aankomen. Toen afgelopen zondag ook nog eens een stuk bos langs de treinrails afbrandde, mogelijk door toedoen van de schatgravers, namen de autoriteiten maatregelen. De gouverneur van Neder-Silezië creëerde een crisisteam en kort daarop sloten boswachters het gebied af. De binnenlandse veiligheidsdienst plaatste tientallen camera’s en surveilleert sindsdien vanuit zwarte bestelbusjes. Wie het gebied betreedt, krijgt een boete van 500 zloty, ofwel 120 euro.

Inmiddels heeft het leger op verzoek van het crisisteam enkele specialisten gestuurd (inclusief mijnenvegers) om de afgezette locatie te inspecteren, opnieuw met bodemradars (een hele dure dit keer, die tot 70 meter onder de grond werkt) en door het graven van monsters. Maar, zo onderstreepte de minister van Defensie: op grote schaal graven gebeurt pas als de „aanwezigheid” van een ondergrondse trein is „vastgesteld”.

Zelfs Piotr Zuchowski, de onruststoker uit de regering, sloeg een andere toon aan. Hij maande schatgravers het gebied te verlaten, voor hun eigen veiligheid. De kans was groot, zei hij, dat de Duitsers rond de trein mijnen hadden gelegd. Hij sprak ook over boobytraps en zelfs over gif.

Andere overheidsdienaren zwakten de woorden van de staatssecretaris verder af. De gouverneur van Neder-Silezië zei begin de week dat het „onmogelijk is” te beweren dat de trein werkelijk bestaat „op basis van de documenten die door de twee zijn binnengebracht”. De burgemeester kwam daar nog eens overheen met de mededeling dat „iedereen die hier woont al minstens een paar keer in zijn leven dit soort informatie” heeft gekregen: „Dit is niets nieuws.”

De dolksteek kreeg Zuchowski van zijn baas, de minister voor cultuur Malgorzata Omilanowska. Ze zei woensdag dat de trein niet zozeer een zaak is van kennis, als van „geloof, hoop en vertrouwen”. Voorts liet ze weten dat staatssecretaris Zuchowski niet meer zou spreken over de trein. De pers moest het voortaan doen met de gouverneur en zijn voorlichter.

Maar zo makkelijk is het niet de trein terug te sturen naar een schimmig rijk van sagen en legendes. Vele Polen menen dat Zuchowski de mond wordt gesnoerd, omdat de regering in de maag zou zitten met de tien procent voor de tipgevers. Die belofte is namelijk in strijd met de Poolse wet. Die is helder op dit punt: wat uit de grond komt, is van de staat.

Iedere Pool met een metaaldetector weet dit. Voor deze trein moeten de autoriteiten het dus op een akkoordje hebben gegooid met de tipgevers: illegaal handjeklap.

Mysterieuze verhalen

Ondertussen speculeren journalisten met historici over de buit. Uit de kast komen oude verhalen over de barnsteenkamer, uit het Catharinapaleis bij Petersburg.

Ooit ging die paleiszaal door voor het kostbaarste van het kostbaarste, omdat de wanden volledig bedekt waren met barnsteen, een gesteente dat tijdens de bouw, begin achttiende eeuw, dertig keer duurder was dan goud. Nadat de nazi’s de complete zaal per trein hadden verscheept naar Koningsbergen, het huidige Kaliningrad, is er nooit meer iets van vernoemen.

Ook leeft de hoop dat de trein het beroemdste door nazi’s geroofde schilderij bevat dat nooit is teruggevonden, het door Rafaël geschilderde portret van Francesco Maria della Rovere.

In berichten die uitgaan van een ondergrondse trein, komt de vraag op hoe het kan dat een trein, van meer dan honderd meter, zeventig jaar lang verstopt bleef. Spectaculaire verklaringen omvatten verhalen over mysterieuze, gewapende mannen die schatgravers wegjagen. Een fanatieke onder hen, de gepensioneerde mijnwerker Tadeusz Slowikowski, vertelt iedere journalist die het horen wil, over een familie die kort voor de komst van het Rode Leger door de Duitsers is geëxecuteerd. Ze woonden langs het spoor. „Ze wisten te veel.” Toen Slowikowski zelf met een legertje vrienden op zoek ging naar de trein, in 2003, werd zijn hond vermoord en zijn telefoon afgeluisterd.

Een koelbloediger analyse is minder filmisch. Het gebied rond Walbrzych behoorde eeuwenlang toe aan Duitstaligen. Het was Boheems, Oostenrijks, Pruisisch, maar niet Pools. Na de oorlog kreeg de volksrepubliek Polen het gebied van de geallieerden, ter compensatie van de landsdelen die ze in het oosten moest afstaan aan de Sovjetunie. Vervolgens deporteerde de Poolse regering nagenoeg alle Duitsers, enkele miljoenen, uit alle ingelijfde gebieden. Zij moesten naar het westen, naar het nieuwe Duitsland. De ontruimde woningen en boerderijen, nee, hele steden werden betrokken door Polen uit het oosten, die tot dan hadden geleefd in wat nu Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen is.

Conclusie: als er al een trein is verstopt in de contreien rond Walbrzych, dan is het niet vreemd dat de oosterse nieuwelingen geen weet hadden van de exacte locatie. Laat staan dat zij, onbekend met het terrein, die makkelijk konden vinden.

Tegelijk leverde deze onbekendheid een goede voedingsbodem voor verhalen over verdwenen goudtreinen. „En het mooie van deze specifieke legende”, zegt Michael Dembinski, die koortsachtig blogt over de trein „is dat het waar zou kunnen zijn. Nazi’s roofden en verstopten hun buit.” Een andere Pool die iedere tien minuten checkt of er nieuws is uit Walbrzych, zegt te genieten van de affaire: „Zeg eerlijk, niets komt dichter bij Atlantis dan dit.”

Rechtmatige eigenaren

Atlantis voldoet als vergelijking, omdat het kan zijn dat de trein één grote luchtspiegeling is. Wellicht is dat voor de regering ook het beste. De vraag die allengs opkomt in politieke en diplomatieke kringen is: wat als er echt een trein wordt gevonden, mét schatten? Dan moeten de spullen naar de rechtmatige eigenaren, zo heeft minister Omilanowska al laten weten. Maar vind die maar eens met een kist vol gouden ringen afkomstig uit, bijvoorbeeld, Auschwitz of Sobibor. Het enige dat de Poolse regering in zo’n geval kan doen, is alles in één keer schenken aan bijvoorbeeld The Claims Conference, of een ander fonds dat compensatie verzorgt voor joodse slachtoffers van de holocaust en hun nazaten. Die organisaties zitten niet in Polen. En dus zal zo’n gebaar, zoals een Oost-Europese diplomaat zegt, slecht vallen bij een bevolking die in de geschiedenis vooral het eigen slachtofferschap en heldendom ziet. Ieder ánder besluit zal daarentegen internationaal weer slecht vallen. Een Poolse diplomaat: „Laat die trein gewoon in de grond zitten.”

Zelfs de inwoners van Walbrzych zijn niet allemaal gebrand op het vinden van de trein. Hoop is genoeg, zegt de directeur van kasteel Ksiaz Krzysztof Urbanksi. En een beetje geloof. Hij heeft het de afgelopen week al tientallen keren gezegd, altijd opgewekt, en hij zegt het telefonisch graag nog een keer: „Misschien is dit wel ons monster van Loch Ness. Niemand heeft het beest ooit gezien, maar dat weerhoudt hem er niet van mensen naar onze regio te lokken.” Urbanski overweegt voor het kasteel een logo in de vorm van een gouden trein.

    • Pieter van Os