Een verwaaid blad daalt neer in Rotterdam

Individuele verhalen verbinden met ‘grote’ thema’s uit het verleden – dat is de kracht van het genre van de familiegeschiedenis. In kassuccessen als Alexanders Münninghoffs De stamhouder of Edmund de Waals The Hare with the Amber Eyes komen niet alleen de hoofdpersonen, maar ook ontwikkelingen uit een bepaalde tijd en plaats tot leven. De familieverhalen in deze boeken overstijgen zo de anekdotiek.

Na boeken over zijn eigen onderduiktijd en over zijn door de nazi’s vermoorde vader, publiceert oud-NRC-journalist Paul Hellmann met Irene, mijn grootmoeder. De neergang van een Weens-Joodse familie een boek over zijn grootouders en hun directe familie. De setting overlapt deels met The Hare with the Amber Eyes, want Hellmanns grootouders behoorden tot de culturele en economische elite van het vooroorlogse Wenen. Beroemdheden als Richard Strauss en Hugo von Hofmannstahl kwamen bij de Hellmanns thuis, waar een Klimt de muur sierde. Hellmanns oudoom Josef Redlich was de eerste Oostenrijkse minister van Joodse afkomst.

In alle opzichten ging het de Hellmanns voor de wind. Maar hun geluk kantelde; door de financiële malaise van de jaren dertig raakten ze in adembenemend tempo hun bezittingen kwijt. Na de dood van haar geliefde echtgenoot stond Paul Hellmanns grootmoeder, Irene, er alleen voor. Omdat het klimaat voor Joden in Oostenrijk er met de Anschluss, zacht gezegd, niet prettiger op werd, besloot ze te vluchten – eerst naar Londen en later naar Rotterdam, waarheen haar oudste zoon inmiddels was geëmigreerd. Daar beleefde ze eenzame jaren, waarin ze de herinneringen aan haar grootse verleden bijna niet kon verdragen. ‘Ik ben niet meer dan een verwaaid blad,’ verzuchtte ze.

Deze gegevens zouden de dramatische basis kunnen vormen voor een aangrijpend boek. Bovendien heeft Hellmann prachtige bronnen tot zijn beschikking: zijn grootmoeder was een verwoede én goede schrijfster, die correspondeerde met tal van interessante figuren. Twee van haar persoonlijkste briefwisselingen, met haar dochter en haar nicht, kreeg Hellmann per toeval in handen. Hij citeert er naar hartelust uit.

Helaas doet hij weinig méér dan dat. Hij verzuimt om de brieven in hun historische context te plaatsen en verbindt de micro-geschiedenis van zijn familie slechts summier met literatuur over de geschiedenis van de Joden in Oostenrijk en – later – Nederland. Tekenend is dat hij bij de beschrijving van het aftreden van zijn oudoom als minister met geen woord rept over een antisemitische haatcampagne die hieraan deels ten grondslag lag. Ook verzucht hij regelmatig dat veel elementen uit de levensgeschiedenis van zijn grootouders onduidelijk blijven of niet meer te reconstrueren zijn – maar aanvullend archiefonderzoek heeft hij amper gedaan.

Zo rest een vrij oppervlakkig relaas, dat bovendien door dubbelingen en uitweidingen over bijfiguren een rommelige indruk maakt. De brieven van zijn grootmoeder schitteren, maar Paul Hellmann had de kracht van het genre beter kunnen benutten.