Dood zijn heeft zo zijn grenzen

‘Ik zou het betreuren’, schrijft de overleden Koerd Mohammed Jahangir aan het begin van Zeg maar dat we niet thuis zijn, ‘als ik als levende wel door die douane heen kan komen en als dode niet.’ Deze man wil niet begraven worden waar hij is overleden, in Nederland. Hij wenst een teraardebestelling in zijn geboortegrond, in Iran – nee, niet Irak, zoals in de Nederlandse identiteitspapieren staat die hij met die herkomst nu eenmaal gemakkelijker ontving. Voor zijn verlangen is wel iets te zeggen, maar dat zijn verhaal niet klopt, dat hij de regels niet gerespecteerd heeft – dát voelt voor de rechtschapen Hollandse lezer dus wel mooi stom.

Toch valt Milan den Hartog, de andere hoofdpersoon en ik-verteller in Zeg maar dat we niet thuis zijn, ondanks zijn voorliefde voor regels en procedures, niet echt over het verzoek van Jahangir. Belangrijker voor Den Hartog is dat hij zich een ‘geboren uitvaartondernemer’ voelt, die zijn roeping kent in waardige afscheiden. In behulpzaam zijn. Dat heeft een keerzijde, zoals een geliefde hem ooit aanwreef: ‘Ik begeleidde de anderen, ik kweet me van mijn taken, ik voerde de liefde uit.’ Hij staat procedureel in het leven. Werkelijk léven, waarbij er iets op het spel staat, kent deze dertiger nog niet. Daarom gaat ‘vanaf volgende week’ het roer om.

In de dagen die de uitvaartondernemer resten staan de twee mannen tegenover elkaar. Twee mannen die zich niet thuis voelen – de dag voordat het boek begint is de Iraanse Koerd Jahangir overleden aan een hartstilstand en vanuit het mortuarium stalkt hij de levenden met zijn repatriëringswens. Hij stuurt zijn zoon mailtjes en spreekt in tussenhoofdstukken tot Milan – tot ons eigenlijk, want Milan vóelt de woorden alleen maar.

Hoe zweverig dat spookperspectief, toch een literair waagstuk, ook mag klinken: die stem is sterk, waardoor ze werkt en overtuigt. Rashid Novaires vierde roman zit daardoor stevig in elkaar. Het spook Jahangir biedt een poëtisch perspectief van een buitenstaander op de stijfheid van Milan (al maken Jahangirs woorden soms wat kriebelig). Milan gaat zich in zijn ik-vertelling steeds meer ontworstelen aan de Hollandse clichés in zijn denken en in zijn taal – zoals hij ook uit zijn stramien probeert te breken.

Zijn laatste week is ook zijn meest chaotische, dankzij de ‘on-Hollandse’ situaties waarin hij verzeild raakt: behalve Jahangir is er een overledene die uit Marokko naar Nederland moet komen, en een Molukse familie die hem met crimineel geld opscheept. Dat geld zou, als hij durft, een mooi startkapitaal zijn voor zijn geplande (kansloze) onderneming in ‘bedjasjes’ – een duster voor de bedlezende dame, misschien wel het meest satirische element in de roman.

Want Rashid Novaire (1979) houdt ons een spiegel voor, vooral met zijn dubbele perspectief: de Hollandse nuchterheid versus de Perzische poëzie. Novaires kracht is dat die tegenstelling niet voortduurt en zijn boodschap dan ook niet eenduidig wordt. Terwijl de roman begint met het belang van de geboortegrond, eindigt het in het besef dat identiteiten wel gevormd zijn, maar niet vast staan. De slotzin voelt daarmee bijna politiek: ‘Ik weet hoe het verder moet.’