Opinie

    • Raymond van den Boogaard

De mythe van de Leidse samenzwering

Journalistiek is een prachtig beroep, maar draagt soms ook bij aan hardnekkige mythevorming. Dat merk je soms als het gaat om iets waarvan je kennis uit de eerste hand hebt – niet als journalist, maar als burger. Een voorbeeld is hardnekkige gedachte dat studentencorpora een soort samenzwering vormen binnen de samenleving, een old boys network, of tegenwoordig ook old girls network, waarbinnen men elkaar de bal toespeelt in de carrière. Die gedachte duikt regelmatig op in reportages over studentenverenigingen. Ik zwijg dan – een mythe heeft ook wel iets aardigs. Maar waar is het niet. En ik kan het weten, als jaargang 1970 van het destijds nog ongemengde – dat wil zeggen uitsluitend door jongens bevolkte – Leidsch Studenten Corps.

Ik moest daaraan denken toen ik gisteravond een herdenking bijwoonde voor Paul, mijn beste vriend en toevallig ook een zogeheten jaarclubgenoot van het Corps. Er zaten een paar honderd mensen in een Leidse kerk – de overledene kon bogen op een veelzijdige maatschappelijke carrière en had daarbij veel vrienden gemaakt. Onder de aanwezigen waren ook jaarclubgenoten, ongeveer tien van de twintig die – sommige clichés kloppen wel – veertig jaar geleden regelmatig te veel dronken bij sociëteitsbezoek en dit heldenfeit af en toe nog wel eens herdenken.

Maar dat wij, als een soort Leids machtskartel, elkaar in het leven de bal hebben toegespeeld, is absoluut niet waar. Het zou ook moeilijk realiseerbaar zijn geweest, omdat die twintig zijn uitgewaaierd over de meest uiteenlopende maatschappelijke sectoren. Ik ken wel voorbeelden van clubvrienden die elkaar hebben bijgestaan wanneer iemands leven in het ongerede raakte, om welke reden dan ook. Want dat gebeurt nu eenmaal af en toe – sommige clubleden hebben het vér gebracht in het maatschappelijk leven, en voor anderen is de weg des levens veel moeizamer gebleken. Dat noem ik geen samenzwering. Maar er is wel iets anders.

Bij het overlijden van mijn vriend realiseerde ik me hoezeer wij begin jaren vijftig onder een, historisch gezien, gelukkig gesternte zijn geboren: toenemende welvaart en ontwikkelingsmogelijkheden, permanente vrede, democratie en rechtszekerheid. De generatie van onze ouders, die de oorlog en andere narigheid hadden meegemaakt, verwachtte dat het leven van hun kinderen meer kwaliteit zou hebben dan dat van hen, en die verwachting kwam ook uit.

Of ouders van nu dat nog zo voelen, betwijfel ik een beetje – en een deel van de angst, agressie en rancune die meer dan veertig jaar geleden de sfeer in de samenleving bepalen, lijkt me op dat wijkend perspectief terug te voeren. Gelukkig zijn er echter ook nog die kinderen zelf die, net als wij in de jaren zeventig, geen boodschap hebben aan de twijfels en angsten van een vorige generatie. Geen samenzwering dus – wel: nieuwe ronde, nieuwe prijzen.

    • Raymond van den Boogaard