De kus van de dertienjarige

De filosofie dat alles wat een mens meemaakt ook weer verwerkt en geduid moet worden, geeft de nieuwe roman van Thomas Verbogt een aangename energie.

Foto Thinkstock

De nieuwe roman van Thomas Verbogt brengt onmiddellijk La tourneuse de pages in herinnering, de film van Denis Dercourt van een jaar of tien geleden. Daarin maakt een jonge pianiste een levensbepalend moment door wanneer haar auditie voor een conservatorium in de soep loopt en ze vervolgens al haar energie steekt in het nemen van wraak op de vrouw die ze voor de mislukking verantwoordelijk houdt. Wraak wordt er bij Verbogt niet genomen (dat past helemaal niet bij de personages van Verbogt), maar een vergelijkbaar levensbepalend moment dient zich aan als de verteller afscheid neemt van zijn oudere pleegzuster. Deze Becky, die ooit ‘het leven van het gezin binnen kwam zweven’, vertrekt naar New York, om bij haar vriendje te gaan wonen. De jongen zit zo met de situatie in zijn maag dat hij haar op het treinperron niet aan durft te kijken. Kort daarna komt Becky om bij een treinongeluk. De verzuchting, aan het eind van een hoofdstuk, is begrijpelijk: ‘En ik dacht: ik had haar aan moeten kijken. Ik had iets moeten zeggen. Dan was ze langer gebleven.’

Je bent dan een bladzijde of dertig, vijfendertig op weg, en even denk je dat de roman hiermee wel in het lood ligt. De jongen zal opgroeien, een schuldcomplex ontwikkelen en proberen met zichzelf in het reine te komen, eventueel aan de hand van een reconstructie van het vroege leven van Becky, wier ouders in de oorlog in Mauthausen stierven. Wat door Verbogts roman echter steeds duidelijker wordt, is dat het leven zich helemaal niet op die manier laat indelen. Je kunt je wel eindeloos willen vastbijten in iets uit het verleden, maar dat wil niet zeggen dat je daardoor ontkomt aan nieuwe ervaringen en indrukken, die, vooral bij zo’n bedachtzaam personage als dat van Verbogt, ook weer allemaal geduid en verwerkt moeten worden.

Deze kleine Verbogt-filosofie zorgt in Als de winter voorbij is voor een aangename energie. De ‘zen-achtige melancholie’ waar de recensent van deze krant over repte naar aanleiding van de roman Perfecte stilte (Boeken 19.05.11) is hier ook weer helemaal te vinden, zonder dat de verteller een verre van hobbelloos leven leidt.

Een nieuw voorval dat tot piekeren stemt dient zich aan als de verteller als ‘bijna-twintigjarige’ op de mond gezoend wordt door een dertienjarig meisje, Lin. Niet de ethische vraag of dat nu eigenlijk wel door de beugel kan, zoenen met zo’n jong meisje, gaat dan in zijn hoofd spelen, maar dat meisje zèlf. Er is iets belangrijks gebeurd tussen hen, er is iets dat ze met elkaar verbindt, zoals u wilt, die kus had misschien wel veel méér moeten worden. Als blijkt dat het meisje jaren later haar eerste kind naar hem heeft vernoemd blijkt dat ze net zo veel waarde aan het moment heeft gehecht. Even hangt de belofte in de lucht dat in elk geval een cirkel hiermee gerond wordt, tot ook dat in een beklemmend geschreven scène vergald wordt.

Het is dankzij Verbogts vakmanschap dat de roman ondanks dit soort gebeurtenissen niet loodzwaar, maar eerder licht is. Voor een deel heeft dat te maken met het feit dat hij weliswaar reconstruerend schrijft, als iemand die een diep vertrouwen heeft in de talige ordening van het verleden, maar dat op een bijna smachtende manier doet, in een voorwaartse beweging dus. Hierdoor neem je de in aanleg zware woorden in de tekst – het gaat hier over ‘ontroering’, daar over ‘eindeloos’ – zonder weerzin aan, waar ze in veel andere romans juist een recept voor drakerigheid of pretentie zijn.

Je ziet aan alles dat Verbogt het met zijn roman heeft gezocht waar hij het als schrijver moet zoeken. Dat wil nog niet zeggen dat zijn thematiek zich zo makkelijk laat samenvatten. In een op Kafka geïnspireerd deel lijkt het iets als onrechtmatig gevangenschap te zijn, met dat verschil dat het geen vage kongsi is die het individu bedreigt, maar een flitsende indruk die moeilijk te definiëren valt. Opvallend is wel dat die indrukken allemaal veroorzaakt worden door vrouwen. De structuur is naast Becky en Lin namelijk opgehangen aan nog een aantal vrouwen. Op andere momenten lijkt de kern weer introverter te zijn, als het, leunend op een paar Camus-citaten, gaat over ‘de mens die zijn eigen doel is’, waarmee op de zelfreflectie of de doorgronding van het eigen karakter wordt gedoeld. Maar het is juist dit aanhoudende zoeken, het niet zeker weten, dat Verbogts werk zo aanlokkelijk maakt.

    • Sebastiaan Kort