De koperblazers zaten in de kantine, maar dat gaf niets

‘England, my England’ is dit jaar het thema van het Festival Oude Muziek in Utrecht. Maar ondanks de ‘splendid isolation’ haalde Engeland in voorbije eeuwen ook componisten en musici uit het buitenland: Pieter Hellendaal en Willem de Fesch uit Holland, Händel uit Duitsland en Haydn uit Oostenrijk. Zelfs koningen kwamen af en toe uit Europa: Willem III, de koning-stadhouder, uit Nederland en koning George I uit het Duitse Hannover. Koninginnen (Victoria, Elizabeth II) haalden hun prinsen van het continent.

En zo speelde het Collegium Musicum Den Haag een heel concert met geïmporteerde ‘Engelse muziek’. Elegante concerto’s in frisse Italiaanse stijl van Hellendaal, Händel en De Fesch, ook concertmeester in het orkest van Händel. Hellendaal imiteerde in een pastorale wel een Schotse doedelzak.

Het Hollands-Engelse koningspaar William & Mary hoorde de ‘dramatick opera’ King Arthur van hun hofmusicus Henry Purcell. Het soms schalkse zangspel is zeer nationalistisch, maar in de tekst van John Dryden beslist ook cabaretesk: „In het buitenland eten ze vis, is dat geen voorbeeld voor ons?”

Het koor Vox Luminis en het orkestje Fenice zongen en speelden losjes, humoristisch en verrassend. De rol van verteller was helaas wel erg zwak ingevuld. Dirigent Jean Tubéry dronk tijdens een boerenfeest bier en speelde duetten op blokfluit met Lionel Meunier van Vox Luminis. Toen een fanfare werd aangekondigd, zaten de koperblazers in de kantine. Stilte. Nou, dan niet en voort ging het, met veel publiek succes.

Veel fijnzinniger en perfectionistischer was Purcell bij het Gabrieli Consort & Players in de twee Odes voor Saint-Cecilia, de beschermheilige van de muziek. Tussendoor klonk a cappella de Hymn to Saint-Cecllia (1942) van Benjamin Britten. Paul McCreesh, na tien jaar terug in Utrecht, dirigeerde vooral de tweede Ode met veel grandeur en schitter. Een dag eerder leidde hij zijn Gabrieli-zangers met die strak-stralende sopranen loud and clear in een magistraal concert in de Jacobikerk met gregoriaans en muziek van Martin, Mundy, Leighton en Tallis. Het illustreerde precies wat Purcell betoogde in zijn odes: muziek komt uit de hemel.