Column

Waar is Dick Bruna?

Een jonge vader holt door de motregen naar de kinderopvang aan de Utrechtse Maliebaan. Aan zijn linkerarm bungelt een baby in een zitje. Twee meter achter hem huppelt zijn peuter mee, met een knuffel zo groot als hijzelf. Een pluchen Nijntje met een blauw jurkje aan.

Nijntje hoort bij Utrecht, net als haar geestelijk vader Dick Bruna. Waar is Dick Bruna eigenlijk, vroeg ik me af. Tot een paar jaar geleden zag ik hem vaak fietsen in de Herenstraat. Hij groette altijd vriendelijk alsof hij mij ook kende. In 2011 stopte hij met werken. Toen vorige week de tentoonstelling Dick Bruna. Kunstenaar opende in het Rijksmuseum was hij er niet bij, „wegens gezondheidsproblemen”, las ik. Hij is 88 jaar oud.

Met de schoolkrantredactie van de school van mijn kinderen zocht ik hem in 2004 op in zijn atelier in de Jeruzalemstraat. Hij tekende Betje Big voor ons en vertelde dat zijn lievelingskleur blauw is en dat hij eigenlijk Henk heet, maar dat zijn moeder hem Dikkie noemde omdat hij zo’n dikke baby was.

„Ik ben altijd vóór zes uur wakker”, zei hij tegen de kinderen. „Dan ga ik uit bed om sinaasappels te persen. Ik maak een klein tekeningetje voor mijn vrouw, over wat zij vandaag gaat doen of over de hond. Dat leg ik op het glaasje zodat er geen vliegjes in vliegen. Als zij wakker wordt, kan zij het opdrinken.”

Ik lees het in de oude schoolkrant, opgetekend door Xenia, Rachel en Maren, die toen 9 en 8 jaar oud waren. Kinderen zijn zulke precieze journalisten.

Eergisteren fietste ik naar zijn huis, verscholen achter een ligusterhaag, kamperfoeliebloemen en een appelboom – maar hem zag ik niet. Ik fietste naar zijn atelier. Daar was hij ook niet. Ik belde de buurvrouw. Af en toe staan er nog Japanners voor zijn deur, zag ze. Hij werkt er zelf niet meer. Uit het atelier komen wel geluiden, zei ze; er zijn zilvervisjes op Bruna’s tekeningen aangetroffen en die worden nu schoongemaakt en gearchiveerd.

Ze heeft de tekenaar wel eens op een bankje zien zitten aan de rivier bij zijn huis. „Hij is broos”, zegt zijn uitgever Marja Kerkhof. „Hij mijdt groepen mensen.”

Gisteren ben ik naar de rivier gelopen. Een bankje onder een treurwilg. De middagzon. Twee mensen op het bankje, een oudere dame en een oude man. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de man de witte krulsnor van Dick Bruna heeft.

Hij zit daar met zijn blauwe jas aan. Tussen zijn benen staat een slanke stok. Hij groet met lachende ogen. „Het gaat goed”, zegt hij, „maar ik kom niet meer in de stad.”

Ik vraag of hij de tentoonstelling van zijn werk al heeft gezien. Hij lacht. „Mijn hele familie is er inmiddels geweest, behalve ik. Dat komt nog wel, binnenkort.”

Mist hij het niet, het dagelijkse tekenen en schrijven van acht uur ’s morgens tot half zes ’s middags? De vrouw naast hem, een vriendin, schudt haar hoofd, maar hij knikt. „Ik doe nog wel wat hoor. Ik teken nog.”

De wind waait door het riet. De zon valt vanachter de treurwilg op zijn gezicht. „De ideeën staan niet stil, nooit.”