Vlinders als kroegtijgers en vlinderstruiken als cafés

Vier stadsecologen hebben op aanstekelijke wijze beschreven welke dieren Amsterdam als ultieme verblijfplaats verkiezen.

De stad is de nieuwe wildernis, de ultieme verblijfplaats voor allerhande dieren, van reiger, ooievaar en rietzanger tot houtduif. Foto’s Ruwan Aluvihare, Anneke Blokker en Remco Daalder

In het Amsterdamse Beestenboek komen we bekende dieren tegen, maar dan in wonderlijke verschijningen. Zo heet het over dagvlinders: „Als kroeglopers fladderen ze van bloem naar bloem. Bekende kroeglopers zijn de dagpauwogen, kleine vos, atalanta, klein koolwitje, kleingeaderd witje en groot koolwitje. Allemaal algemene soorten die je overal in de stad tegenkomt. Zeker als er bloeiende vlinderstruiken staan.”

Vlinders als kroegtijgers en vlinderstruiken als verleidelijke cafés. Dit is geen gangbare manier om over dieren te schrijven. Ook de ornithologische opdracht dat we ons naar café Tisfris aan de Sint Antoniebreestraat moeten spoeden om een kolonie huismussen te spotten, mag zeldzaam heten. Nog een aanstekelijk citaat, ditmaal over de ooievaar die volkomen gewend is aan het stadse menu: „Alles gaat er in: vissen, mollen, muizen, padden, jonge vogels, in feite de gehele inhoud van dit boek.”

Het Beestenboek brengt een trend in beeld die zich al een tijd in de dierenwereld afspeelt. De stad is de nieuwe wildernis, de ultieme verblijfplaats voor allerhande dieren, van slechtvalk tot zilverreiger, van kleine modderkruiper tot snoek. In de Haarlemmerstraat is al een vos gesignaleerd. De reden van de drukbevolkte dierenstad is duidelijk: ’s winters is het er enkele graden warmer, de slordige bewoners gooien voedsel zomaar op straat en het is er betrekkelijk veilig.

Het is niet nieuw wat de auteurs, vier Amsterdamse stadsecologen, betogen, maar de wijze waarop is zonder meer aanstekelijk. Ze moeten gedacht hebben: als er dan toch een Amsterdams dierenboek komt, dan geheel in wat robuuste Amsterdamse stijl. De opzet is helder. Per diersoort komen we een illustratie tegen en een korte beschrijving, iets over karakter en gedrag, aantallen en een verspreidingskaartje. Soms is het net iets te licht en het is jammer dat er een literatuuropgave ontbreekt.

Als gids voldoet het Beestenboek goed. Ga bijvoorbeeld naar café (alweer!) Het Molenpad aan de Prinsengracht. Daar huist ’s zomers een kolonie gierzwaluwen. Terecht verdient het nachtelijke Amsterdamse dierenleven ook aandacht met bosuil, bruine rat en steenmarter.

En wie ’s nachts laat, na cafébezoek, denkt kleine motvlinders te zien vliegen of dwarrelende herfstblaadjes in het stralende schijnsel van lantaarnpalen moet eens goed kijken: dat zijn vleermuizen, met name de gewone dwergvleermuis. De Nieuwmarkt is een vleermuizenhotspot. Deze kleine nachtzoogdiertjes passen in een lucifersdoosje en halen de mooiste acrobatische toeren uit. In uw eigen stad.