Column

Neem tien miljoen beleggende apen

Petje op, petje af, zo ging in Amsterdam afgelopen zondag de filmquiz in De Balie. Uiteindelijk bleef er, na zeven vragen over de Nederlandse film, één man in het publiek staan. Dat was ik. Was ik de ultieme filmkenner, de fijnproever van de vaderlandse cinema? Het werd me gevraagd door de presentator. Het antwoord was: zeker niet. Ik had gewoon zeven maal goed gegokt. De conversatie was snel over.

De kans dat je zes maal achtereen goed gokt in een ja-nee-spel is 1,5 procent. Zeven maal achter elkaar is dat 7 promille. Waarschijnlijk gokte de gehele bioscoopzaal. Want van de ongeveer 200 mensen bleven er na zes vragen drie over. Dat zou statistisch ook de uitkomst zijn als iedereen in de zaal bij elke vraag een kans van 50 procent op een goed antwoord had gehad.

Stel nu dat hier geen sprake was geweest van een zaal vol bioscoopgangers, maar een zaal vol beleggingsadviseurs. Wie van hen deed het zeven jaar achter elkaar beter dan de index? Zou degene die op het laatst bleef staan inderdaad een topbelegger zijn, of zou ook hier serieel geluk verward worden met genialiteit en een superieure kennis van zaken? Staat daar dan, kortom, een lucky chimp? Grote kans van wel. Je kunt de markt nu eenmaal niet kennen, noch voorspellen.

Veel particuliere beleggers denken er net zo over. Stock-picking, het beredeneerd kiezen van individuele aandelen voor een beleggingsportefeuille, is flink uit de mode geraakt. Een ruim decennium van tegenvallers en traumatische ervaringen, beginnend met de dotcom-crash van begin deze eeuw, is daar niet vreemd aan. Veel kleine investeerders verlaten zich inmiddels op index-beleggen, waarbij wordt ingezet op een brede aandelenindex. Daar is de opmars van zogenoemde Exchange Traded Funds niet vreemd aan. ETF’s zijn verhandelbare beleggingsproducten die een aandelenindex schaduwen (of grondstoffen). Aandelen-ETF’s, die een index nadoen, zijn veruit het populairst. Er is nu wereldwijd voor 3.000 miljard dollar belegd in ETF’s. Het leeuwendeel daarvan zit in aandelenindices, zoals de S&P 500 of de AEX.

Maar is dat wel de juiste aanpak?John Authers van de Financial Times verwees vorige maand naar een opmerkelijk onderzoek uit 2013 van de Cass Business School, een afdeling van de City University van Londen. Wetenschappers lieten daar een computer, de spreekwoordelijke aap met de pijltjes, een willekeurige Amerikaanse aandelenportefeuille (uit duizend beursgenoteerde bedrijven) samenstellen in elk van de jaren tussen 1968 en 2011. Elk gekozen aandeel kreeg een gewicht van 0,1 procent in de apenportefeuille, en werd teruggestopt in de keuzemogelijkheid. Na duizend maal kiezen ontstond een willekeurige, en willekeurig gewogen, portefeuille.

De computer voerde dat proces tien miljoen maal uit voor elk jaar. Dat geeft een populatie van tien miljoen beleggende apen. De beleggingsresultaten van deze apenoptocht werden vergeleken met een aandelenindex die gewogen was op basis van beurswaarde van de genoteerde bedrijven. Dat zijn de meeste indices, zowel en S&P-500 als bijvoorbeeld de AEX.

Het opmerkelijk resultaat: vrijwel alle ‘apen’ deden het beter dan de gewogen aandelenindex. Dat geeft te denken. Ben je net van de stock-pickers af, en beleg je in de index, blijkt de gemiddelde chimpansee ook die index makkelijk te verslaan. Want ongewogen beleggen blijkt beter – in ieder geval volgens de onderzoekers van Cass.

In theorie houdt het in dat je net zo goed weer terug kunt naar het doe-het-zelven. Huur een chimp en laat hem zijn gang gaan. En neem ’m een keer mee naar de bioscoop. Misschien is er wel een quiz.