Column

Het zeventje is straks de nieuwe zes-min

Het zesje inruilen voor een zeven is een schijnoplossing om studenten gemotiveerd te krijgen, vindt Christiaan Weijts. Hij stelt een veel beter systeem voor.

Steeds meer masteropleidingen laten alleen nog studenten toe die met een zeven of meer geslaagd zijn voor hun bachelor. In Leiden en Amsterdam gebeurde het al bij een aantal opleidingen, en nu rekent ook de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit af met de zesjescultuur.

Het zevenzeefje als nieuw kwaliteitsfilter. Toch hoef je het maar eventjes tegen het licht te houden om te zien dat het een gammel geval is. Wat gaat er namelijk gebeuren? Allereerst komt er verwarring. Ben je met een zesje nu geslaagd of niet? We krijgen een hoop gevalletjes ‘half zwanger’.

Een veel kwalijker gevolg is dat rond al die opleidingen waar je nog wél met je zesjes binnenglipt straks de bedenkelijke geur hangt van een gootsteenputje, de gierkuil voor kneusjes en losers.

Daarop zullen ook die opleidingen onvermijdelijk het zevenzeefje op de voordeur aanbrengen. Met als netto rendement van al dit rendementsdenken: het zeventje als de nieuwe zes-min. Docenten zullen met de hand over het hart strijken – nou, vooruit, een zeventje dan maar.

De zes inruilen voor de zeven is een schijnoplossing tegen de zesjescultuur. Toegangsnormen verhogen is natuurlijk helemaal geen middel om motivatie te vergroten. Voor een uitblinkersmaster wil je namelijk helemaal niet die studenten hebben die voor de minimumeis werken, hoe hoog of laag die ook is. Je wilt daar geen hakken-over-de-sloot-studenten. Je wilt de echte uitblinkers, die ongeacht de toelatingseisen altijd naar het beste streven.

Daarom stel ik een heel eenvoudig systeem voor, dat werkelijk op motivatie en capaciteiten selecteert en alle manco’s van het zevenzeefje moeiteloos wegneemt.

Richt op elke universiteit een aantal speciale masteropleidingen in, waarvan het aantal plaatsen vooraf vaststaat. Dan kun je tegen bachelorsstudenten zeggen: we hebben tachtig plaatsen. Alleen de allerbesten krijgen die, op volgorde van hun gemiddelde cijfer. Wie het hoogst scoort, wie het eerst maalt.

Reken maar dat je dan gemotiveerde studenten krijgt. Die gaan dan niet meer calculerend te werk, maar zullen zo hoog mogelijke cijfers willen halen, omdat vooraf niemand weet waar de kritieke grens zal komen te liggen. Soms zal dat een zes zijn, soms een acht.

Alle bezwaren van het zevenzeefje zijn erdoor opgelost: de verleiding voor docenten om hogere cijfers te geven, het half zwanger zijn, de gootsteengeur. Door het aantal masterplaatsen vooraf vast te leggen ben je meteen van het fundamentele probleem af dat opleidingen op basis van studentenaantallen betaald krijgen, en dus structureel verleid worden om meer studenten binnen te laten dan ze willen of aankunnen.

We zouden hiermee kunnen beginnen bij een paar vooruitstrevende universiteiten, maar wat belet ons om dit model in het hele universitaire onderwijs in te voeren?