Heeft de vraagstelling invloed? Ja/Nee

Cameron moet de vraagstelling voor het EU-referendum aanpassen, concludeerde de Britse kiescommissie gisteren. Nu is de vraag niet neutraal genoeg.

„Moet het Verenigd Koninkrijk lid blijven van de Europese Unie? Ja?/Nee?”

Dit lijkt misschien een neutrale vraag, maar daar denkt de Britse kiescommissie heel anders over. Voor eind 2017 mogen de Britten voor een referendum naar de stembus. De vraag die de regering-Cameron het volk wil voorleggen, bevoordeelt voorstanders van dat lidmaatschap, zo concludeerde de kiescommissie gisteren.

Wat het dan moet worden? In het wijzigingsvoorstel wordt de negatieve optie toegevoegd aan de vraag. De twee mogelijke antwoorden zouden als volgt moeten worden: ‘lid van de Europese Unie blijven’ en ‘de Europese Unie verlaten’.

Wat maakt dit in hemelsnaam uit? „Heel veel”, zegt Jelke Bethlehem, bijzonder hoogleraar onderzoeks-methodologie aan de Universiteit Leiden. Dat blijkt ook uit onderzoek dat de Britse kiescommissie deed onder burgers van het Verenigd Koninkrijk. Van hen waren er bijna 450 die zich uitspraken voor de blijven/verlaten-optie, terwijl er minder dan 300 voor de ja/nee-variant waren.

De tegenstanders van ja/nee zeiden vaak dat die optie tot onduidelijkheid leidt, of kiezers zou aanmoedigen voor de status quo te stemmen, oftewel voor lidmaatschap van de EU. De Britse regering heeft aangekondigd het advies van de kiescommissie over te nemen.

GeenPeil

Volgens Bethlehem werkte vooral het feit dat in de vraag alleen de ‘blijven-optie’ werd genoemd in het voordeel van de pro-Europeanen. „Uit onderzoek is gebleken dat een deel van de mensen de vragenstellers onbewust tevreden wil stellen en daarom voor de optie kiest die in de vraag wordt genoemd. Bovendien denken mensen ook bij zo’n referendum vaak niet heel diepzinnig na en kiezen ze graag voor de weg van de minste weerstand, oftewel ‘ja’ in dit geval.”

De precieze vraagstelling in het Britse referendum is ook relevant voor Nederland, omdat weblog GeenStijl een campagne is begonnen voor een Nederlands referendum. Dat moet gaan over het associatieverdrag van de EU met Oekraïne, dat een voorloper kan zijn van EU-lidmaatschap. Sinds 1 juli kunnen Nederlandse burgers de overheid dwingen een ‘raadgevend referendum’ uit te schrijven over een aangenomen wet of verdrag waar ze het niet mee eens zijn.

Voor het referendum over Oekraïne moeten eind september 300.000 handtekeningen zijn opgehaald. Gisteren stond de teller bij ‘GeenPeil’, het referenduminitiatief van GeenStijl, op iets meer dan 100.000 handtekeningen. Nederland stemde al in met het associatieverdrag met Oekraïne, maar het kabinet moet die steun heroverwegen als een meerderheid van de stemgerechtigden, bij een opkomst van minimaal 30 procent, het verdrag afwijst.

In 2005 werd in Nederland een referendum georganiseerd over de Europese Grondwet dat het bestuur van de EU opnieuw moest organiseren. De vraag luidde toen als volgt: „Bent u voor of tegen instemming door Nederland met het verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa?”

Een neutrale vraag volgens hoogleraar Bethlehem, al wisten veel burgers inhoudelijk volgens hem destijds amper wat die ‘grondwet’ precies inhield. Als onderwerp voor een referendum was het volgens Bethlehem daarom ongeschikt. Een ruimte meerderheid van 61,6 procent van de Nederlandse kiezers stemde tegen. De Europese Grondwet kwam er niet. Veel elementen ervan werden later opgenomen in het Europese Verdrag van Lissabon dat zonder Nederlands referendum eind 2009 van kracht werd.