Ger & Bas Jan in het land van de ideeënkunst

Ger van Elk en Bas Jan Ader spraken af dat ze de kunst gingen veranderen. Dat lukte ze ook nog. Een expositie doet verslag van hun zoektocht in de conceptuele kunstwereld.

Bas Jan Ader: Fall 1, Los Angeles Courtesy of the Estate of Bas Jan Ader, GRIMM Amsterdam, Meliksetian | Briggs Los Angeles

De tentoonstelling In Search of... bij Grimm Gallery in Amsterdam heeft alle trekken van een artistiek jongensboek, met twee van Nederlands beste kunstenaars in de hoofdrol. Dat verhaal begint aan het einde van de jaren vijftig, als Ger en Bas Jan elkaar ontmoeten op de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam. Bas Jan is de zoon van een dominee uit het Groningse Nieuw Beerta – Bas Jan heeft al op zijn veertiende het ouderlijk huis verlaten omdat hij ‘onhandelbaar’ is. Ger is geboren in een min of meer artistiek milieu in Amsterdam: zijn vader is illustrator. Maar als Ger jong is scheiden zijn ouders en vertrekt zijn vader naar Los Angeles om te werken in de Hanna-Barbera tekenfilmstudio’s (onder andere: The Flintstones). Gers moeder houdt er een aversie tegen kunstenaars aan over, ze knipt zijn vader zelfs van haar trouwfoto’s. Als Ger tien is, bekeert ze zich tot het katholicisme.

Zo leren ze elkaar kennen, de twintigers Ger en Bas Jan: allebei een getroebleerde jeugd, allebei slim en tegendraads en allebei als jonge kunstenaar zeer ambitieus – ze zoeken elkaar op, roken en praten over kunst en het leven. Het zijn artistiek roerige jaren: steeds meer kunstenaars krijgen genoeg van de ronkende persoonlijke expressie van groepen als de abstract expressionisten. Ze willen juist onromantische kunst gaan vervaardigen, kunst die rommelig, koel en afstandelijk is. Zo zal Ger al in 1961, samen met Wim T. Schippers en fotograaf Bob Wesdorp, het A-dynamisch manifest publiceren, waarin ze pleiten voor kunst die onder andere ‘zakelijk’ is, plat, saai en ‘verwarrend’. Bas Jan is niet zo van de ironie en de manifesten: hij is de zoeker, de twijfelaar van de twee.

Na ruim een jaar scheiden hun wegen: Bas Jan vertrekt naar Amerika en krijgt daar al snel enkele kleine tentoonstellingen. Even keert hij terug naar Europa, maakt een reis door Spanje en Marokko om vervolgens aan te monsteren op een zeilschip dat in elf maanden naar Californië zal varen – alleen raakt de boot in een storm zwaar beschadigd en wordt het door een marinevaartuig naar de haven gebracht. Ger woont al aan de Amerikaanse westkust en studeert kunst aan het Immaculate Heart College, bij de nonnen.

Daar, in Los Angeles, vinden ze elkaar weer terug: Ger regelt voor Bas Jan een baantje als afwasser en ze delen vanaf dat moment een appartement op Sunset Boulevard. Samen gaan ze de kunst veranderen en daar gaan ze groot en beroemd mee worden. En verdomd, uiteindelijk lukt het ze ook nog. Twee Hollandse jongens die met succes de grote nieuwe conceptuele kunstwereld intrekken. Hansje Brinkers in ideekunstenland.

Warm bad

Vooral dat sentiment maakt deze nieuwe Grimm-tentoonstelling als een warm bad: het idee dat de oude, historische vriendschap tussen Bas Jan Ader en Ger van Elk (die op zich wel bekend was) ook een vorm was van artistieke verwantschap. Vanuit Nederlands perspectief is dat een extra aantrekkelijk idee, omdat op deze manier het Nederlandse aandeel in de tumultueuze ontwikkelingen van de conceptuele kunst zich lekker even wat breder kan maken.

Bij dat verlangen sluit Grimm slim aan: ze tonen vooral werk uit de periode 1969 tot 1973, zowel voor Van Elk als voor Ader de periode waarin ze hun eerste belangrijke werken maakten en ze elkaar bovendien af en toe hielpen: zo maakte Ader de foto’s voor Van Elks tweeluik The Haircut, Big Cut, Big Savings (1971) en filmde Ader zijn Nightfall in datzelfde jaar in Van Elks Amsterdamse garage. Maar er zit ook veel Nederland in: er hangen verschillende foto’s die Ader maakte tijdens zijn verblijf in Westkapelle en op zijn Fall 2 landt hij pontificaal in een zeer Amsterdamse gracht. Ook Van Elk is niet alleen in zijn humor en schijnbaar alledaagse poëzie heel Nederlands: de beste versie van zijn klassieker The Co-Founder of the Word O.K. (1971) is gemaakt op Marken en zijn The Flattening of the brook’s surface (waarin hij vanuit een bootje met een peddel het wateroppervlak probeert ‘glad te strijken’) filmde hij in zo’n lekkere zompige Hollandse sloot.

Er zijn meer overeenkomsten, zowel inhoudelijk als stilistisch. Zo treden Ader en Van Elk allebei opvallend vaak op in hun eigen werk en maken ze allebei foto’s en 16mm-filmpjes waarin absurde acties worden getoond: Ader die van het dak van zijn woning in Los Angeles rolt, Van Elk die met een voetpomp zijn eigen linkervoet ‘oppompt’ of met een heggenschaar zowel de parmantige punt van een buxus als die van zijn eigen haardos afknipt.

Maar in het gebruik van die vorm en die stijl waren ze in die jaren bepaald niet de enigen: opvallend veel van de vroege conceptuele kunstenaars waren volkomen egomaan (wat hun vliesdunne ironie zelden wist te verhullen) en allemaal zochten ze, net als Van Elk en Ader, met weloverwogen luchtigheid naar de grenzen van de traditionele kunst. Zo bekeken voelt de gesuggereerde verwantschap ineens meer als een handige commerciële manoeuvre dan als een serieuze inhoudelijke vergelijking.

Of is er meer?

Ineens, na lang (en plezierig) kijken doemt er namelijk nog een overeenkomst op, waar Grimm nauwelijks aandacht aan besteedt (of het moet via de titel In Search Of... zijn). Dat is dat bijna alle werken op de tentoonstelling gaan over verandering en transformatie, over onderweg zijn – en vooral: dat de reis geen einde krijgt.

Hartstochtelijk huilen

Je ziet het aan Aders werken die steeds, op allerlei manieren terugkeren bij beweging en onmacht variërend van zijn vele ‘val-werken’ tot zijn klassieker I’m too sad to tell you waarin we hem hartstochtelijk zien huilen en de tekst ‘Please don’t leave me’, die in hanenpoten op de achterwand van de galerie is gekalkt. Ook Van Elk speelt met transformaties: van de ‘zelfportretten’ waarin hij zelf, gewapend met een knapzak en een rookworst het woord ‘OK’ vormt (typisch een transformatie die je als toeschouwer zelf moet ‘zien’ en voltooien) tot het met lucht volpompen van zijn eigen voet en het gladstrijken van het water: het is allemaal tijdelijk, de uitkomst vergeefs, lijkt hij te zeggen – behalve als je er kunst van maakt.

Natuurlijk past dat uitstekend bij het conceptuele verlangen om ‘onaffe’ kunstwerken te maken, maar bij zowel Ader als Van Elk lijkt er meer te spelen. Je zou het kunnen gooien op hun jonge jaren, op de ‘verdwenen vaders’, op de moeizame verhouding tot religie, op het vele reizen. Maar interessanter is het idee dat ze door dat voortdurende transformeren steeds opnieuw een kier in hun werk creëren, een open plek, een punt waar ze de redenering nadrukkelijk niet afmaken en jou als toeschouwer zo uitdagen dat van ze over te nemen.

En dat werkt – als toeschouwer ben je op de tentoonstelling uiteindelijk net zozeer ‘In Search of...’ als de kunstenaars. Dat maakt ook de zware kunsthistorische fascinatie met Aders verdwijnen, in 1975 op de Atlantische Oceaan terwijl hij werkte aan zijn project In Search of The Miraculous, nog fascinerender.

Het opmerkelijke is: de tentoonstelling verklaart dat diepgewortelde verlangen naar zoeken van Ader en Van Elk eigenlijk niet. Maar daardoor wordt de expositie zelf ook zo’n kier: hoe langer je naar deze werken kijkt, hoe meer je wilt zien en weten en denken. Daardoor krijgt In Search of... zowaar museale allure: een nieuwe en fascinerende blik op de wonderbaarlijke beginjaren van twee van Nederlands grootste conceptuele kunstenaars. Ken je die van twee mannen die samen op reis gingen terwijl ze wisten dat ze hun doel nooit zouden bereiken? Ze gingen toch.