Entree Van Gogh is een joyeuze ruimte vol licht

Gelukkig is de vijver van de nieuwe vleugel van het Van Gogh Museum uit 1999 verdwenen. Want de verzonken vijver die de Japanse architect Kisho Kurokawa (1934-2007) als onderdeel van zijn uitbreiding had ontworpen, was een onding.

Voorbijgangers op het Museumplein in Amsterdam ervoeren de vijfeneenhalve meter onder pleinniveau liggende vijver als een naargeestige berenkuil. De vijver werd geteisterd door bouwgebreken en de aanwas van algen. Het laagje water, waarvan Kurokawa had gehoopt dat het de museumbezoekers tijdens hun ondergrondse doortocht van de oudbouw naar de nieuwe vleugel tot contemplatie zou brengen, stond er vaker niet dan wel. Hierdoor was de vijver meestal een groezelig pleintje dat eerder verontrustte dan rust gaf.

Kurokawa’s gebouw, een grote juwelendoos met een bolle deksel op de grasvlakte van het Museumplein, was een antwoord op het oorspronkelijke museumgebouw van Gerrit Rietveld uit 1973. Kurokawa beschouwde Rietvelds rechthoekige, postuum gebouwde werk in de geest van de Stijl als een late uiting van het voorbije „tijdperk van de machine”. Zijn ovale uitbreiding, een geschenk van een rijke Japanse Van Gogh-liefhebber, paste volgens hem beter bij het huidige ‘tijdperk van het leven’.

Het nieuwe entreegebouw dat in plaats van de vijver is gekomen, is een schitterende glazen hal geworden. Op basis van een schets van het bureau van de in 2007 overleden Kurokawa en in samenwerking met de constructeurs van Octatube heeft Hans van Heeswijk er een bijzonder elegante constructie van gemaakt. Uitgebreid hebben de ontwerpers het grote draagvermogen benut dat hedendaags glas dankzij nieuwe productiemethodes kan hebben. De balken die de gekromde, ‘koud gebogen’ glasstukken van de gevels en het dak stutten en dragen, zijn eveneens van glas, zodat het hele gebouw buitengewoon doorzichtig is.

Zo is het transparante entreegebouw een soortgelijk antwoord geworden als Kurokawa eerder gaf op Rietvelds rechthoekige museum. Niet alleen het glas van het entreegebouw contrasteert met de natuurstenen gevels van de vleugel, maar ook de vorm. De nieuwe entree is een soort contramal van Kurokawa’s paviljoen. Terwijl de vleugel een opvallend bol dak heeft, is dat van het nieuwe entreegebouw juist hol, waardoor het precies past onder de uitkragende doos van het prentenkabinet. En helt de stenen juwelendoos iets voorover, de glazen entree leunt juist iets achterover.

De nieuwbouw heeft ook precies dezelfde half ovale plattegrond als de vijver eens had. Maar doordat de hal niet alleen meer dan vijf meter de grond in gaat maar zich ook naar boven toe uitstrekt tot de dakrand van het oude paviljoen, komt de bezoeker nu via een brede, ook al glazen trap in een joyeuze ruimte vol licht vanwaar hij uitzicht heeft op beide museumdelen.

Zo heeft het Van Gogh Museum nu, net als het naburige Stedelijk Museum, een entree aan het Museumplein gekregen die past bij de grandeur van een culturele instelling die jaarlijks 1,6 miljoen bezoekers trekt.

    • Bernard Hulsman